Spoeddebat bij Frans nee tegen Maastricht

DEN HAAG, 4 SEPT. Het CDA wil dat de Tweede Kamer een spoeddebat houdt als Frankrijk nee zegt tegen het verdrag van Maastricht. R. van der Linden (CDA) zei dit gisteren tijdens een overleg tussen de Vaste Kamercommissie voor EG-zaken en een aantal Nederlandse leden uit het Europese Parlement.

Van der Linden vindt dat het politieke debat in Nederland over Maastricht meer inhoud moet krijgen. In Nederland is de discussie volgens hem tot nu toe erg lauw geweest, terwijl in Frankrijk met oog op het komende referendum levendig over “het nieuwe Europa” wordt gesproken. Ook in Engeland wordt fel gedebatteerd over Maastricht en premier Major heeft al laten weten met de ratificatie van het Verdrag te zullen stoppen als Frankrijk nee zegt. Van der Linden: “We moeten ons afvragen op welke manier we het verdrag van Maastricht kunnen verbeteren.”

De meeste partijen hebben in de schriftelijke beoordeling van het Verdrag al laten weten voor Maastricht te zijn. CDA, PvdA en D66 uiten weliswaar forse kritiek op het verdrag en wijzen daarbij op het “democratisch tekort”, maar deze partijen zullen wel tot goedkeuring overgaan als de Kamer eind september over Maastricht zal spreken. De VVD uit echter bedenkingen en reageert met “gemengde gevoelens” op het verdrag. De leden van de VVD-fractie “zijn thans nog niet in staat een positief of een negatief oordeel te geven”, aldus het voorlopig verslag van de liberalen.

De Kamerleden vroegen zich gisteren echter af of de ratificatie in Nederland zin heeft als Frankrijk nee zegt. “Denemarken heeft al nee gezegd”, aldus commissievoorzitter B. Stemerdink (PvdA). “Als Frankrijk dat ook doet zullen de Britten volgen.” Zijn partijgenoot in het Europese Parlement A. Metten wees erop dat Maastricht dood is als de Fransen het afwijzen. “Een Frans nee kun je niet meer wegmasseren.” Het verschil tussen het Deense nee en een mogelijk Frans nee is dat de uitspraak van de Denen juridisch nog te repareren is.

Pag.3: Ratificatieproces moet doorgaan

De Denen hebben Maastricht met een nipte meerderheid afgewezen, maar de regering in Kopenhagen heeft te kennen gegeven dat de negatieve uitslag voor het eind van het jaar wellicht nog te repareren is.

Juridische experts in Brussel houden de mogelijkheid open een aanvullend protocol voor de Denen te maken terwijl in Kopenhagen een nieuw referendum tot de mogelijkheden wordt gerekend. Als de Fransen nee zeggen, is het politieke hart uit het verdrag en de schade daarmee “onherstelbaar”. Metten: “Dan moeten de EG-lidstaten opnieuw onderhandelen over een nieuw verdrag”.

Europarlementariër J.W. Bertens (D66) vindt echter dat de ratificatieprocedures moeten doorgaan, ook als Frankrijk zich tegen het verdrag uitspreekt. Europarlementariërs drongen er bij de Kamerleden op aan zich “keihard” op te stellen zodra het over de bevoegdheden van het parlement in Straatsburg gaat. Zo vindt Europarlementariër De Vries (VVD) dat zijn parlement een recht op medebeslissing moet hebben in zaken waar de EG met meerderheid van stemmen besluit. Van Traa (PvdA) hield hem daarop voor dat het Europees Parlement zelf heeft ingestemd met Maastricht, en van zijn wens geen “keiharde eis” heeft gemaakt.

Het Europees Parlement heeft zelf nog een machtsmiddel in stelling gebracht om twijfelende lidstaten tot ratificatie te dwingen: zonder Maastricht zal het niet akkoord gaan met een uitbreiding van de EG. Kamerlid Eisma (D66) vroeg zich af of het Europarlement “de rug recht zou kunnen houden” als Oosteuropese staten op de EG-deur kloppen. Van Traa viel hem bij. “Zult U Uw dreigement waarmaken door Polen tegen te houden?” De meeste leden van het Europees Parlement twijfelen enigzins aan de mogelijkheid om het machtsmiddel te kunnen gebruiken. Daarvoor is een brede consensus nodig die makkelijk kan worden gebroken zodra materiële belangen in het spel komen. Zo wees Penders (CDA) erop dat de Zuideuropese lidstaten zich steeds krachtiger opstellen om meer subsidies van de rijkere EG-lidstaten te krijgen. De kandidaat-leden van de EG zijn juist de netto-betalers als Oostenrijk en Zweden, die aan de kas bijdragen waaruit Zuid-Europa zijn subsidies krijgt.