Ondernemingsraden ballen nu de vuisten

Ondernemingsraden zijn in menig bedrijf volwassen geworden. Hun invloed strekt ver. Zó ver zelfs dat de roep om uitbreiding van hun bevoegdheden is verstomd. Een aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden, nu in studie, zal marginaal zijn.

Zo'n 2500 werknemers van Fokker op Schiphol kwamen op 10 juli in vergadering bijeen, nadat een geheime overeenkomst was uitgelekt over overname van Fokker door de Duitse vliegtuigbouwer Dasa. Het personeel vreesde voor de positie van Fokker als "zelfscheppende' vliegtuigbouwer en zijn werkgelegenheid. De centrale ondernemingsraad (COR) moest met de billen bloot. "Hebben jullie erbij gezeten?', was de vraag. De argwaan tegen de Fokker-COR was groot. “Wij zaten in een lastig parket”, vertelt secretaris George Melchers.

Inderdaad, de COR hàd erbij gezeten. In de voorgaande maanden was het vierkoppige dagelijks bestuur ervan wekelijks, vertrouwelijk, bijgepraat door Fokker-topman E. Nederkoorn. Op 3 juli beschikte de COR, eerder nog dan de vakbonden en minister Andriessen, over de daags ervoor beklonken operational agreement tussen Fokker en Dasa. Drie dagen later lag een reactie bij het bestuur, waarin de COR zijn bezwaren tegen de overeenkomst kenbaar maakte. Het zelfscheppende karakter van Fokker en het behoud van werkgelegenheid waren onvoldoende gegarandeerd, meende de raad. In de weken tussen 3 en 24 juli, toen de overname definitief werd, onderhield de COR nauw contact met politicus Henk Vos, voorzitter van de Tweede Kamercommissie voor Economische Zaken. Tweemaal sprak de COR met minister Andriessen, eenmaal met de Kamercommissie. Zo bezorgde de COR de minister "draagvlak' voor zijn onderhandelingen met Dasa. Ook al was Andriessen volgens velen de verliezer van die onderhandelingen, de COR beschouwde de uitkomst toch als een grote verbetering ten opzichte van de overeenkomst van 2 juli. Derhalve “ben ik tevreden over onze rol en onze invloed”, zegt COR-secretaris Melchers.

Sinds ondernemingsraden - na de laatste grote wijziging van de wet op de ondernemingsraden (WOR) in 1979 - autonoom opereren en over duidelijk omschreven bevoegdheden beschikken, is medezeggenschap in Nederland "volwassen' geworden, althans bij sommige bedrijven. In geen ander Europees land heeft de gekozen personeelsvertegenwoordiging zoveel wettelijke mogelijkheden om het ondernemingsbeleid te beïnvloeden. De OR heeft instemmingsrecht bij besluiten over een groot aantal "sociale' onderwerpen, zoals regelingen voor pensioen, werktijden, functiewaardering, opleiding en werkoverleg. Bij belangrijke bedrijfseconomische besluiten, zoals over fusie, overname, reorganisatie en grote investeringen, heeft de OR adviesrecht. Legt de ondernemer het advies van de OR naast zich neer of, erger nog, verzuimt hij advies te vragen, dan kan de raad in beroep gaan bij de Ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof. Daar is sinds 1979 al menig (voorgenomen) besluit gesneuveld, omdat onvoldoende rekening was gehouden met de belangen van de werknemers. In enkele gevallen wisten ondernemingsraden zelfs bedrijfssluiting af te wenden.

Betekent dit dat OR'en een grote invloed hebben, of zelfs dat zij in staat zijn "ondernemertje te spelen'? Dat is maar betrekkelijk. Om te beginnen laat de WOR de vrijheid van onderneming volledig intact. De ondernemingsraad van Fokker zou, nu de belangen van de werknemers duidelijk aan bod zijn geweest in de onderhandelingen met Dasa, geen kans maken als zij de overname van het bedrijf bij de Ondernemingskamer zou aanvechten.

Bovendien maakt een wet nog geen macht. Het laatste grote onderzoek naar het functioneren van ondernemingsraden, in 1987 uitgevoerd in opdracht van Sociale Zaken, leverde daarover een duidelijke conclusie op. De ondernemingsraad bleek redelijk te zijn geaccepteerd door de werkgevers, die over de wijziging van de WOR in 1979 nog moord en brand hadden geschreeuwd, en besluitvormingsprocedures hadden aan zorgvuldigheid gewonnen. Maar de invloed van ondernemingsraden bleek voornamelijk beperkt tot het sociaal beleid. Het adviesrecht was tot dan toe slecht uit de verf gekomen: vaak werd de OR pas om advies gevraagd als een besluit zover voorbereid was, dat er weinig meer aan te veranderen viel. Een beargumenteerd "nee' van de OR, gevolgd door de gang naar de rechter, vereiste zoveel deskundigheid en durf, dat menige OR het erbij liet zitten.

Pag.12: Kwaliteit medezeggenschap verschilt per bedrijf; Invloed ondernemingsraden strekt zover dat roep om uitbreiding van bevoegdheden is verstomd

Vijf jaar later is de medezeggenschapspraktijk iets genuanceerder. Sommige OR'en en ondernemers gaan verder dan louter formele wetstoepassing. Zij sluiten bij voorbeeld "convenanten' waarin ze de wijze van omgang met elkaar vastleggen. Zo kunnen afspraken worden gemaakt over de manier waarop de OR wordt betrokken bij fusies, ontvlechtingen of de benoeming van commissarissen. Uit onderzoek van de Amsterdamse hoogleraar P. van der Heijden bleek vorig jaar dat in dertig procent van de ondernemingen met meer dan duizend werknemers dergelijke convenanten zijn gesloten. Zulke convenanten hebben weliswaar geen wettelijke status, maar Van der Heijden beschouwt ze als kenmerk van "volwassen' medezeggenschap: “Blijkbaar worden ondernemingsraden door het management behalve als overlegpartner ook als onderhandelings- en contractpartner geaccepteerd.”

Juriste Wietske Zeijlstra van het in OR-zaken gespecialiseerde Advokatenkollektief in Utrecht formuleert het iets anders: “Ondernemingsraden komen erachter dat het werk in de praktijk moet gebeuren, niet bij de rechter.”

Evenals Fokker biedt NedCar, het voormalige Volvo Car, een goede illustratie van de mogelijkheden en grenzen van de medezeggenschap. Zo had de centrale ondernemingsraad van de automobielfabrikant, aldus voorzitter G. van Kortenoeven, slechts marginaal invloed op de aandelentransactie waardoor Mitsubishi begin dit jaar aandeelhouder werd, naast Volvo Zweden en de Nederlandse Staat. De COR, die geen fundamenteel bezwaar had tegen de aandelentransactie, sleepte in ruil voor een positief advies slechts een "vertrouwenscommissaris' uit de onderhandelingen.

Op het proces van "japanisering' dat Nedcar te wachten staat en dat ertoe moet leiden dat hetzelfde aantal werknemers tweemaal zoveel auto's produceert, heeft de centrale ondernemingsraad daarentegen meer invloed. Veranderingen in de produktie-methoden zijn, lang voor invoering, onderwerp van bespreking in een COR-commissie, waarvan ook managers deel uitmaken. “Het management is ervan overtuigd dat het alleen met loyale medewerking van het produktiepersoneel succes kan boeken. Men zal niet proberen achter onze rug om dingen te forceren. Als centrale ondernemingsraad hebben wij meer invloed dan de wet voorschrijft”, zegt Van Kortenoeven. Hij vindt dat directie en COR, incidentele conflicten ten spijt, "open en eerlijk' met elkaar omgaan.

Zo gaat het lang niet overal. De "kwaliteit' van de medezeggenschap verschilt van bedrijf tot bedrijf en van sector tot sector. Advocate Wietske Zeijlstra heeft de laatste jaren vooral klandizie van OR'en uit gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening. “In die sectoren moeten OR'en nog een positie opbouwen. Bovendien worden zij de laatste jaren geconfronteerd met profit-achtige ontwikkelingen, zoals fusies, die ze daarvoor niet kenden.”

In de sfeer van de grote bedrijven geldt Philips als notoir voorbeeld van matig functionerende medezeggenschap. Zelfs toen de onderneming ogenschijnlijk nog goed draaide, waren er veel conflicten, ook binnen het medezeggenschapscircuit. De opstapeling van OR'en, groeps-OR'en en centrale OR wekte bureaucratie en competentiestrijd in de hand.

In mei van dit jaar bracht de Sociaal Economische Raad advies uit over (mogelijke) verbeteringen in de Wet op de ondernemingsraden. In 1989 had toenmalig minister De Koning van Sociale Zaken daarom gevraagd. Het SER-advies was hopeloos verdeeld. De vakbonden willen de rechten van de OR op een aantal punten uitbreiden. Zo zou de bestaande - limitatieve - lijst van onderwerpen waarover de OR adviesrecht heeft moeten worden aangevuld met een "kapstokbepaling' die de ondernemer verplicht over àlle belangrijke bedrijfseconomische beslissingen advies aan de OR te vragen. Daarnaast willen de bonden een beroepsrecht koppelen aan het "initiatiefrecht' van de OR, opdat een ondernemer ongevraagde adviezen van de OR niet zonder meer naast zich neer kan leggen. Ook zou er een wettelijke verplichting moeten komen om de rechtspositie van OR-leden beter te regelen. Maar de werkgevers zijn mordicus tegen dergelijke uitbreidingen van de WOR. Hooguit willen ze meewerken aan het opheffen van onduidelijkheden in de wet, zoals de slecht geregelde positie van centrale ondernemingsraden.

Over het belang van veranderingen in de WOR verschillen de meningen, niet alleen binnen de SER. Meine Pit, die vijftien jaar directeur was van het Gemeenschappelijk Begeleidingsinstituut Ondernemingsraden, somt voor de vuist weg een reeks - potentiële - problemen in het functioneren van OR'en op. Zoals het gegeven dat een OR-lid doorgaans overlegpartner is van een manager, aan wie hij in zijn dagelijks werk ondergeschikt is: “Je stapt de fabriek uit, en plotseling ben je nevengeschikt. Voor veel OR-leden is dat moeilijk.” Of het probleem van de "taal': “Een OR moet de emoties van werknemers in zakelijke taal kunnen verwoorden. Want voor emoties is het management niet gevoelig.” In Pits opsomming komt de WOR, als probleem, pas op de zoveelste plaats.

Ook Van Kortenoeven van NedCar haalt de schouders op als de WOR ter sprake komt. “Wij kunnen leven met de huidige wet. Wat je als OR bereikt, heeft meer met durf en macht te maken dan met de wet. Als je verwoordt wat het personeel voelt en duidelijk weet te maken dat de mensen achter je staan, dan houdt een directie daar rekening mee.”

FNV-jurist Joan Bloemarts daarentegen zegt: “Natuurlijk kom je er niet met wetgeving alleen. Maar je hebt de wet wel nodig als een ondernemer niet wil. Dat het management bij een bedrijf als NedCar open staat voor overleg, is wel te danken aan veertig jaar wetgeving op dit gebied.”

Minister De Vries wacht nog met een reactie op het SER-advies, omdat die raad zich over twee punten nog niet heeft uigelaten: het instemmingsrecht en de verhouding tussen ondernemingsraad en vakbeweging. Deze onderwerpen liggen nog gevoeliger dan die waarover eerder al verdeeld is geadviseerd - paradoxaal genoeg, aldus sommige deskundigen, omdat werkgevers en vakbonden hier overeenstemming dreigen te bereiken ten koste van de ondernemingsraden.

Ook al werken vakbonden en ondernemingsraden in de dagelijkse praktijk vaak in elkaars verlengde, ze zijn ook potentiële concurrenten van elkaar. Volgens de traditionele werkverdeling regelt de vakbond in het CAO-overleg de arbeidsvoorwaarden en waakt de OR over het ondernemingsbeleid. De WOR sanctioneert deze taakverdeling: het instemmingsrecht van de OR vervalt wanneer een onderwerp in de CAO is geregeld. Midden jaren '80 barstte een discussie los over de relatie vakbeweging-OR, toen Bert de Vries, destijds fractieleider van het CDA, voorstelde het arbeidsvoorwaardenoverleg primair te laten voeren door directie en ondernemingsraad. Zowel vakbonden als veel werkgevers vielen over De Vries heen. De vakbeweging beschouwt zich, wegens haar professionaliteit, onafhankelijkheid en brede blikveld, als een betere CAO-onderhandelaar dan de OR. Werkgevers op hun beurt doen doorgaans liever zaken met de vakbondsprofessionals dan met de "amateurs' van de OR. “Zonder vakbeweging zouden we als werkgevers zeker niet goedkoper uit zijn”, zei VNO-voorzitter Rinnooy Kan onlangs in Vrij Nederland.

De OR als "pseudo-CAO-partij' is dan ook niet op grote schaal tot ontwikkeling gekomen. Maar wat niet is, kan komen naarmate ondernemingsraden sterker worden en het accent in het arbeidsvoorwaardenoverleg verder verschuift van bedrijfstak naar individuele onderneming.

Tegen deze achtergrond sloten werkgevers en werknemers in hun eigen overlegorgaan, de Stichting van de Arbeid, begin 1990 een deal: de werkgevers bevestigden het primaat van de vakbeweging in het CAO-overleg en zij schaarde zich op haar beurt achter het streven van de werkgevers om in sommige gevallen het instemmingsrecht van de OR te omzeilen. Op dit moment komt het voor dat een werkgever tweemaal over een zelfde onderwerp moet overleggen. In het CAO-overleg spreekt hij met de bonden bij voorbeeld een aantal dagen arbeidstijdverkorting af, met de OR dient hij vervolgens over de inroostering ervan te overleggen. Aan zulk dubbel overleg hebben werkgevers een broertje dood. Vermoedelijk zullen werkgevers en werknemers in de SER eendrachtig pleiten voor de wettelijke mogelijkheid om het instemmingsrecht van de OR door CAO-afspraken te kunnen beperken.

Een ander aandachtspunt voor de SER zijn de zogenoemde "personeelsgidsen', waarin bedrijven secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals vergoedingen voor reiskosten, studie en verhuizing, regelen. Deze arbeidsvoorwaarden vallen buiten het CAO-overleg en ook buiten het instemmingsrecht van de OR, zoals blijkt uit uitspraken van de Hoge Raad. Hoewel menige ondernemingsraad op dit punt instemmingsrecht claimt, lijkt de vakbeweging geneigd de bestaande situatie te willen continueren, uit vrees anders het pad te effenen voor gelegitimeerde bemoeienis van de OR met de arbeidsvoorwaarden.

“Samen met de werkgevers vormen de vakbonden een front tegen de ondernemingsraden”, schampert OR-adviseur Pier van Gorkum, ooit bekend als PPR-politicus. Hoogleraar P. van der Heijden zegt: “Ik zie geen enkel bezwaar om de OR tot countervailing power te maken voor dé arbeidsvoorwaarden die niet in de CAO geregeld zijn.”

Is de vakbeweging erop uit het instemmingsrecht van de OR uit te hollen in plaats van uit te breiden? “Onze bedoelingen worden doorlopend verkeerd uitgelegd”, zegt FNV-jurist Bloemarts. De FNV, verklaart hij, wil het instemmingsrecht van de OR juist uitbreiden met nieuwe onderwerpen, zoals "personeelsvolgsystemen' en onkostenregelingen. Alleen kunnen zich in het CAO-overleg "bijzondere omstandigheden' voordoen, die inperking van het instemmingsrecht op enig punt opportuun maken. Bloemarts wijst op het "pakketkarakter' van de CAO: een concessie op één punt, in dit geval het instemmingsrecht van de OR, kan winst op een ander punt opleveren.

Bloemarts erkent dat de verhouding tussen vakbond en OR controversieel ligt. “De vakbeweging denkt wel degelijk na over de gevolgen van decentralisatie in het arbeidsvoorwaardenoverleg. Zijn we wel in staat op ondernemingsniveau te onderhandelen? Zo niet, moeten we dan in de CAO niet een grotere rol voor de OR bedingen? Vakbonden denken daar verschillend over. Wat ondernemingsraden ervan bakken is ook zo verschillend. Kijk naar het beroepsgoederenvervoer. Florerende OR'en zijn daar zeldzaam. Daar heerst ouderwets paternalistisch ondernemerschap. Logisch toch, dat de bonden daar huiverig zijn om de OR een grote stem te geven.”

Wat in de WOR ook moge veranderen, hemelbestormend zal het niet zijn. In de jaren '70 was uitbreiding van de WOR één der vier grote hervormingsvoorstellen van het kabinet-Den Uijl. Anders dan toen loopt thans nauwelijks meer een rechtenstudent warm voor het onderwerp, constateert prof. van der Heijden. “De roep om meer inhoudelijke medezeggenschap, dus verdergaande sturing van het beleid, hoor je niet. Met deze wet, misschien wat uitbreidingen en de convenanten die OR'en afsluiten hebben we voorlopig de grens bereikt.”