Naar een goed sportklimaat in volgend millenium

DEN HAAG, 4 SEPT. Sport heeft het altijd te druk met zichzelf gehad om zich te bekommeren om anderen. Midden in de maatschappij en toch geïsoleerd. Alleen als een blik in de geldkist leerde dat de bodem zichtbaar werd, kwam er een actie tot stand die er vooral op was gericht financiële middelen te genereren. Dat gebeurde meestal onder verwijzing naar het belang van sport voor de maatschappij.

Een paar jaar geleden verscheen er een delegatie van het NSF-bestuur op het Binnenhof met een politiek appèl. Een eisenpakket dat bijna door de bode van de Kamer in ontvangst werd genomen en dat net als andere haastig in elkaar getimmerde smeekbeden in Den Haag niet veel meer opleverde dan een begrijpende glimlach en een ontwijkend antwoord (“Bezuinigingen, weet u”) en bij het bedrijfsleven de vraag opriep wat het hen opleverde. Als geslagen honden dropen de montere bestuurders dan weer af naar hun hok waaruit ze zo vrolijk kwispelend tevoorschijn waren gekomen.

Met het aantreden van Wouter F. Huibregtsen als voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité, waarin de dagdromers werden vervangen door realisten, is er een ander besef gekomen. Of in elk geval een andere strategie. Die "nieuwe geest' wordt verwoord in de ten geleide bij het rapport “Sport als bron van inspiratie voor onze samenleving”. Gemaakt op initiatief van NOC en Nederlandse Sport Federatie door het organisatie-adviesbureau A.T. Kearney en begeleid door een stuurgroep onder voorzitterschap van Hans Wiegel waarin naast sportbestuurders ook kopstukken van andere maatschappelijke geleding zitting hadden. Gisteren werd het rapport in Den Haag aangeboden aan premier Lubbers.

Het opmerkelijke verschil met vroeger is dat nergens met zoveel woorden om geld wordt gevraagd. Er wordt een andere toon aangeslagen. Verontschuldigend voor het feit dat sport haar toegenomen sociale betekenis onvoldoende heeft onderkend. Vanuit die schuldbewuste rol wijzen NOC en NSF er discreet op dat sport niet de enige sector is in de maatschappij die het kind hebben zien opgroeien zonder het als volwassene te behandelen. Dus signaleren de twee overkoepelende organisaties van alle sportbonden de kansen om sport te gebruiken als hefboom voor sociale veranderingen, vernieuwingen en verbeteringen. Hoge doelstellingen voor een organisatie die steunt op 700.000 vrijwilligers, van wie de meesten net voldoende kennis of tijd hebben om technische vaardigheden op anderen over te brengen, koffie te schenken in de kantine of een elftal van A naar B te vervoeren.

Maar zelfs al is het gisteren gepresenteerde streven veel te hoog gegrepen, het klinkt beter dan het eeuwige (en niet geheel ten onrechte) geweeklaag over de chronische financiële nood van topsporters, de karige belastingvrije vergoeding voor vrijwilligers, de maar niet op gang komende inkomstenbron uit de instantloterij. De sport lijkt te hebben geleerd dat het inleveren van zo'n eisenpakket weinig effect sorteert en wie dat tot gisteren niet had begrepen werd door Lubbers wakker geschud. Hij prees het rapport in alle toonaarden, stelde vast dat het goed gaat met de sport ondanks, nee misschien juist wel dankzij de terughoudende opstelling van de overheid. En die rol moet zo maar blijven ook. Nog voordat er over geld was gesproken, smeet de premier de deur al dicht. Alleen de politiek kan die openen. De voorzitters van de drie grootste fracties, zonder uitzondering aanwezig op de bijeenkomst, werden daartoe uitgenodigd en de komende weken krijgen ze bezoek van Huibregtsen die er op zal aandringen in hun programma's en bij voorkeur nog in de algemene beschouwingen na Prinsjesdag sport een minder vrijblijvende plaats te geven als tot nu toe steeds het geval was.

Want dat ook dit rapport uiteindelijk op een financieel verzoeknummer zal uitlopen staat wel vast. Alleen is er nu eindelijk eens een serieuze poging ondernomen tegenwicht te bieden aan de dikwijls overbelichte negatieve aspecten van sport, zoals het voetbalvandalisme, andere uitwassen als racisme, onsportiviteit, dopinggebruik en niet te vergeten het enorme bedrag dat sportblessures de samenleving jaarlijks kosten. De voorbeeldfunctie van de sport is belangrijker geworden, luidt de boodschap en de sport wil er iets aan doen. En iets geven klinkt heel anders dan iets willen ontvangen.

Een initiatiefgroep Sport en Maatschappij moet het massage-instituut worden dat alle geledingen van de samenleving zachtjes in de richting van een sportvriendelijker Nederland moet kneden. Een andere houding teweegbrengen bij publiek, bedrijfsleven, politiek en onderwijsinstellingen. Een proces dat volgens de leden van de stuurgroep “zeker vijf tot tien jaar” in beslag zal nemen. Er gaan dus twee generaties topsporters overheen voordat men denkt het doel bereikt te hebben. Dat is wennen voor de korte-termijndenkers waarvan het in de sportwereld vergeven is, maar het past wel in het tempo waarin op andere plaatsen in de samenleving veranderingen worden bewerkstelligt. Waardering voor sport in het volgende millennium. Dat is iets om naar uit te kijken.