Lieve I.,

Ik zit op een terrasje in het Gare du Nord, onder de glazen overkapping.

Buiten is het noodweer, het station is afgeladen. Aan het tafeltje rechts van mij bekvecht een echtpaar, dat loopt niet goed af, net viel er al een rake klap. Links van me is een man in slaap gevallen boven de paardekoersen en pal voor m'n neus, aan de andere kant van het hekje, dansen twee jonge, in fluwelen lappen gewikkelde vrouwen met gesloten ogen rondjes om een ghetto-blaster. Eerst op Night and Day, nu op een saaie bossa. Daarachter een bonte schare van dribbelende, rennende, koffers zeulende, met gigantische rugzakken langs hoofden van medereizigers maaiende, spuwende, rochelende, struikelende, zittende en lui op het perron liggende neestemmers.

Daar weer achter binnenrijdende en vertrekkende treinen, over gillende rails. Moet ik me straks doorheen wurmen, als ik naar Amsterdam wil. (Mijn trein heeft vertraging, vandaar dit reisverslagje.)

Oude muziek studerende, Castiliaanse schone, weet je nog wie ik ben? Nou, een maand geleden deelden jouw vriend en jij een tafeltje met mijn vriendin en mij in een restaurant in de Rue Froidevaux, naast het kerkhof. We dronken veel te veel, je vriend dacht dat hij Jezus was en ik ging op de piano spelen. Voor jou, alleen maar voor jou. Een aubade, ik hamerde trapezia op de toetsen. Kastelen, met een beetje fantasie. Maar je voelde je beledigd, je gaf me een oorvijg. Wat een misverstand. Besef je wel dat het Gregoriaans niet had bestaan zonder Pythagoras? (Niet zelf bedacht.)