Leve de burgerlijkheid; Aanval van John Carey op het modernisme

John Carey: The Intellectuals and the Masses; Pride and Prejudice among the Literary Intelligentsia 1880-1939. Uitg. Faber & Faber, 246 blz. Prijs ƒ 60,85.

Wat hebben T.S. Eliot, Virginia Woolf, H.G. Wells, Wyndham Lewis, D.H. Lawrence en Adolf Hitler gemeen? Gevaarlijk veel, volgens de Engelse literaire criticus Peter Carey. In de laatste zin van The Intellectuals and the Masses zegt hij het in zoveel woorden: "De tragedie van Mein Kampf was dat het in veel opzichten geen afwijkend boek was, maar een dat stevig in de orthodoxie van de Europese intellectuelen wortelde.' Carey's boek is bedoeld als ondersteuning van die provocerende stelling; door hun snobistische en agressieve houding ten opzichte van de opkomende massacultuur in de eerste helft van deze eeuw hebben de Engelse intelligentsia meegeholpen te zaaien wat Hitler oogstte.

Hoe dat intrigerende proces zich precies voltrokken heeft, blijft onduidelijk, zoals wel meer in deze schetsmatige, insinuerende studie. Carey probeert met grote stappen snel thuis te komen en maakt vooral verdacht door associatie: omdat zowel Hitler als een paar Engelse schrijvers uit en rondom de Bloomsbury-groep neerkeken op de burgerij en hun arcadische verlangens op de boeren- en arbeidersklasse projecteerden, is er volgens hem sprake van een instinctief verbond tussen modernisme en fascisme.

Geconfronteerd met een explosieve bevolkingsgroei en een dreigende cultuurspreiding, klommen de Britse modernisten hoog in hun ivoren torens om vanuit de hoogte neer te kijken op de vormeloze, krioelende massa. Stuk voor stuk, zo wil Carey aantonen, beschreven ze de massa als een ding, iets dat minder dan menselijk was, waaruit volgde dat er ook op een minder dan menselijke manier mee omgegaan kon worden. De massamens was een sufgeslagen, krantenlezende ambtenaar in een rijtjeshuis in de voorsteden, zowel geestelijk als lichamelijk onvolgroeid. Om de Kunst veilig te stellen voor zijn vettige, grijpgrage vingers vonden de kunstenaars behendig het modernisme uit, zodat de nieuwe literatuur en beeldende kunst zijn begrip al snel te boven ging. Kunst was een door God gegeven iets, dat maar beter niet in handen kon vallen van de nivellerende massa, die zich hoogstens een primitief soort realisme eigen kon maken. En, voegt Carey daar aan toe, ook Hitler geloofde in heilige, onveranderlijke topkunst - dat kan geen toeval zijn.

Kudde

De schurk in Carey's anti-intellectuele betoog is Nietzsche, die hij met wat selectieve citaten weer streng terugduwt in zijn traditionele rol van Foute Filosoof. Diens dwingend geloof in de ongelijkheid van de mensen en zijn romantische verheerlijking van het eenzame genie, die ver boven de nietswaardige kudde der mensheid zijn eenzame weg gaat, brachten zijn volgelingen - kunstenaars als D.H. Lawrence en Wyndham Lewis - in de waan dat zij uitverkorenen waren. De "massa' was een aartsvijand die hun superioriteit onderstreepte. Carey laat er geen misverstand over bestaan; door de talloze, associatieve verbanden die hij legt tussen de verschillende citaten krijgt het modernisme in zijn boek het aanzien van een komplot van het soort dat marxistische critici vroeger altijd zo onverbiddelijk blootlegden: "Ik zou willen opperen dat het leidend principe van de modernistische literatuur en cultuur de uitsluiting van de massa's inhield, het knechten van hun macht, het verwijderen van hun geletterdheid, het ontkennen van hun menselijkheid.' De oorzaken hiervan waren angst en klassebewustzijn: "De metafoor van de massa dient de geldingsdrang van het individu omdat het van andere mensen een conglomeraat maakt.'

Carey verwijt de Engelse intellectuelen dat zij geen onderscheid maakten tussen massa en menigte; met evenveel recht kun je hem voor de voeten werpen dat hij snobisme aanziet voor proto-fascisme. Het is bijvoorbeeld onzin E.M. Forsters neerbuigende opmerkingen over zijn romanfiguur Leonard Bast, de arbeidersjongen uit Howards End die cultureel hogerop wil, te beschouwen als tekenen van een onuitroeibaar dédain. Hoewel Forster niet vrij was van homoseksuele dagdromen over smetvrije boerenjongens in een onbedorven landschap, was het niet zijn bedoeling om als intellectueel de hogere cultuur aan "het volk' te onthouden; hij gaf lezingen aan het Workmen's College en kritiseerde de geborneerde houding van Engelse kolonialen ten opzichte van Indiërs die zichzelf wilden ontwikkelen. Bovendien behield hij zijn afstand tot de zelfgenoegzame intellectuele saamhorigheid van de Bloomsberries. Toen hij inzag dat hij de moderne wereld niet kon verbeelden in een roman, hield hij op met schrijven.

Dat is meteen een tweede punt dat tegen Carey kan worden ingebracht: hij doet het voorkomen alsof de intellectuelen een gesloten front vormen. Hij aarzelt niet de monomane trekken van Wyndham Lewis impliciet aan anderen toe te schrijven, terwijl Lewis het grootste gedeelte van zijn leven alleen stond; hij haatte Bloomsbury en verder eigenlijk iedereen. Citaten uit romans worden door Carey zonder pardon in de mond van hun auteur gelegd. De intellectuelen in zijn studie hebben een net zo gevaarlijk vormeloos aanzien als de Massa in hun eigen geschriften.

De interessante hoofdstukken van The Intellectuals and the Masses gaan dan ook over individuele schrijvers, zoals H.G. Wells en George Gissing. In hun geval weet Carey hun gespleten houding tegenover de massacultuur - angst voor de opstand der horden, liefde voor het lower-middle-class milieu - voelbaar te maken. Zijn held is Arnold Bennett, het zwarte schaap van Bloomsbury, een schrijver die zich er niet voor schaamde voor het grote publiek te schrijven en datzelfde publiek tot onderwerp te nemen in zijn romans.

Zielestrijd

Bennetts boeken vallen onder burgerlijk realisme - en dat is de stroming die in Carey's boek tussen de regels door verheerlijkt wordt. De boodschap die hij voor onze tijd heeft, is ook al snel duidelijk. Al die vermoeiende taalexperimenten van de modernisten, al dat zoeken naar nieuwe vormen, het is moeilijkdoenerij om zichzelf boven de massa te stellen, anders niet. Aan avantgardisme en Nietzscheaanse zielestrijd heeft de moderne mens geen behoefte. Literatuur, geeft Carey aan, moet gaan over gewone dingen in een gewone stijl. Punten en komma's weer op de juiste plaats, graag.

Carey presenteert zijn boek als een verrassende analyse, maar The Intellectuals and the Masses is onderdeel van een grotere beweging, die zich richt tegen de kunst als iets dat op zichzelf staat; als mysterie, zeg maar. Literaire kwaliteit speelt in zijn betoog geen rol, van schrijvers wordt een journalistieke sociale verantwoordelijkheid geëist (het kan geen toeval zijn dat Carey vorig jaar een bloemlezing van journalistieke ooggetuigeverslagen samenstelde). In die anti-modernistische en anti-intellectuele beweging worden burgelijke deugden geprezen en ontpoppen journalisten zich als literair critici. Het realisme wordt weer als zaligmakend gezien. Mensen als George Steiner, die zich beroepen op een hogere macht om kunst van kitsch te onderscheiden, worden afgeschilderd als snobisten van het ergste soort; zij willen de kunst enkel en alleen voor zichzelf houden.

Het is jammer dat Carey zich zo laat leiden door zijn o-zo Engelse preoccupaties met snobisme, klassebewustzijn en eigenwaan (wanneer een Engels boek het woord "intellectueel' in de titel draagt, kun je er donder op zeggen dat het tegen intellectuelen gericht is), want het thema van zijn boek raakt wel aan een van de interessante vraagstukken van deze tijd: hoe verhouden de kunst en de cultus van het individu zich tot de massacultuur? Het is waar dat critici als Steiner en Finkielkraut niet bij machte zijn zichzelf te zien als onderdeel van de massacultuur die zij in hun boeken bestrijden, zodat hun felle aanvallen in het luchtledige plaatsvinden. En ook in Nederland lopen er genoeg mensen rond die sjiek doen over de platheid van anderen. Maar waar iemand als Camille Paglia in haar werk zonder omhaal zowel de "klassieke' grote kunst als de populaire cultuur omarmt, verliest de Engelsman Carey zich in een omgekeerd snobisme: het gezonde volksgevoel wordt door hem als maatgevend gezien. Zelf wordt hij evenzeer geplaagd door de trots en het vooroordeel die hij zijn slachtoffers in de schoenen schuift. Die gewaarwording maakt recalcitrant: als ik aan The Intellectuals and the Masses iets heb overgehouden, is het de sterke behoefte om de volledige werken van Woolf, Yeats, Lawrence en Eliot weer eens op te zoeken.