Kwelvaart

Per trein de grens over bij Arnhem. Een Duitse jongen van twintig had geen kaartje.

Hij was bestolen, zei hij. Tot vier keer toe gromde de boze conducteur hem toe waarom hij dat niet meteen gemeld had. Ik verdedigde de jongen door de conducteur wel viermaal, in het Hoogduits, uit te leggen dat hij een slachtoffer niet moest beschuldigen. De jongen kreeg een kaartje, een boete en een rekening.

Even later vertelde hij in de volle coupé dat hij in Amsterdam hasj had gekocht, die hij met zijn geld, treinkaartje, paspoort en huissleutel in zijn gitaar had verstopt. Bij het eten in een goktent had hij die achter zijn kruk gelegd. Toen hij zijn hamburger achter de kiezen had, was de gitaar weg. Dit alles was diezelfde ochtend gebeurd.

“Sie haben nichts gegessen”, vroeg ik.

“Nein, nichts!”, verzuchtte hij.

Ik gaf hem mijn spijs en drank. Hij verorberde alles gretig en hoorbaar.

Ik pakte mijn boek en las, totdat een bejaarde vrouw die al die tijd zwijgend naast me had gezeten iets in mijn hand frommelde. Ik dacht: een chocolaatje, opende mijn hand en vouwde een groen papiertje open. Een briefje van duizend. Spinoza keek me peinzend aan. En ik keek verbijsterd naar de onbekende vrouw en stamelde: “Waar heb ik dat aan te danken? Kunt u dat zo maar missen?”

“Ik heb gespaard, ik schrijf religieuze boeken”, zei ze. En verliet de inmiddels stilstaande trein. Ik liep haar na en bedankte haar, maar ze hoorde me niet meer.

Teruggekomen in de coupé zag ik dat de jongen ook een opgevouwen briefje van duizend in zijn hand had. Was hij zó stoned, dat hij dat niet gemerkt had? Toen ik hem erop wees, duurde het even voor het doordrong en zijn melancholie in een manie overging. “Eins, Zwei, Drei, . . .Zehn.” Hij kon zijn ogen niet geloven en zei: “Das Leben ist ein Quiz, wir sind nur Kandidaten”. Een station verder stapte hij uit. Wat had de vrouw bezield? Een geval van Fugue? Zoals de psychotische Hedwig uit de roman "Van de koele meeren des doods' van Frederik van Eeden?

Of wilde ze de opbrengst van haar religieuze boeken aldus besteden ter meerdere ere Gods, en zag ze mij als barmhartige Samaritaan? I beg to differ. Ik zag ineens haar zakdoekje liggen. Ik snoof, snoof, . . . Op zoek naar een clou. Terug in Groningen bleek bij het station mijn trouwe eend te zijn gepikt. De auto werd teruggevonden. Nu die arme vrouw nog.