Jimmy is de wereldbrand; Het politieke toneel van Harold Pinter

Harold Pinter, schrijver van raadselachtige toneelstukken als The Birthday Party en Betrayal, is verpolitiekt. In zijn nieuwe werk windt hij zich op over het kwaad in de wereld. Sluit het bedrijven van politiek het maken van kunst uit? En is een toneelstuk overbodig als je de afloop bij voorbaat kent? Toneelgroep Amsterdam speelt drie recente stukken van Pinter, die de komende week Amsterdam bezoekt.

Bij Toneelgroep Amsterdam wordt op dit moment de uitvoering van drie Pinter-stukken voorbereid, door regisseur Titus Muizelaar en negen acteurs. Het "drieluik over de verstrengeling van taal, macht en identiteit', zoals de Toneelgroep de stukken noemt, is gevat in een ringband, een onofficiële tekstuitgave in de vertaling van dramaturge Janine Brogt. Het bundeltje a-viertjes wordt als script gebruikt tijdens de repetities. Het is niet dik, het langste stuk duurt waarschijnlijk hooguit dertig minuten. Zo op het oog althans: een regisseur kan het natuurlijk naar believen verlengen of bekorten.

Op het schutblad prijken, behalve de premièredatum (9 september) en de naam Harold Pinter, de titels. Party time staat bovenaan, De Nieuwe Wereldorde in het midden, Bergtaal onderaan. In die volgorde zijn de stukken inderdaad gebundeld en worden ze ook gespeeld. In die volgorde zijn de stukken niet geschreven. Het eerste is van maart 1991, het tweede van april 1991 en over de ontstaansdatum van het derde bestaat onduidelijkheid. De Londense première was eind oktober 1988, dus het is in elk geval anderhalf jaar voor de andere twee stukken geschreven. Doet die anderhalf jaar-of-nog-langer er toe? Misschien wel.

Misschien moet, nu het om een drieluik gaat, de volgorde van ontstaan gerespecteerd worden en daarmee de ontwikkeling van de schrijver. Die is toch al (lang) niet meer wie hij geweest is. Hoor ik, lees ik. Pinter is verpolitiekt. Toen Mountain Language in première ging, verzocht deze krant Della Couling, de toneelcriticus van The Independent, een recensie te schrijven. Daarin haalde zij Thomas Mann aan die in Tonio Kröger schrijft: “Het is gedaan met de kunstenaar zodra hij mens wordt, onderhevig aan sentiment. (-) Is u te veel gelegen aan wat u te zeggen hebt (-) dan kunt u verzekerd zijn van een volstrekt fiasco”. En Couling voegde daaraan toe: Wees gewaarschuwd, Harold Pinter.

Engagement

Ja, Pinter is verpolitiekt. Al sinds de omverwerping van de regering van Allende windt hij zich op over de rol die het schijnheilige Amerika speelt in de wereld. In een interview liet hij weten dat die - en het klinkt te fraai om het te vertalen - “stinks to high heaven all along the line”. Sindsdien en, naar het zich laat aanzien tot op heden (hij bezoekt ons land de komende week in het kader van "Index on Censorship', een manifestatie over censuur en vrijheid van meningsuiting in de Amsterdamse Balie) is Pinter politiek actief. Het minste dat je daarover kunt zeggen is dat zijn engagement origineel aandoet. Zijn betrokkenheid is sympathiek: hij zou zijn wereldberoemdheid in dienst van kwalijker zaken kunnen stellen.

Maar daarmee zijn we er niet, want Pinter is een kunstenaar. En politiek bedrijven sluit het maken van kunst misschien wel uit. Over de combinatie van beide activiteiten - in het geval van Pinter: het schrijven van politiek drama - heeft hij zelf in een interview gezegd: “Het probleem is dat je voor je er aan begint al weet hoe het zit. Een toneelstuk is in de eerste plaats een ontdekkingsreis en als je het verloop daarvan al bij voorbaat kent, dan bestaat het risico dat het stuk overbodig wordt.”

Dat risico bestaat zeker.

Party Time heeft een fantasieloze strekking. Decadente Gavin geeft een feest voor gelijkgezinden terwijl de wereld in brand staat. Ene Jimmy symboliseert de wereldbrand. Hij is afwezig, maar juist zijn afwezigheid bezwangert het feest met onheil en aan het slot is hij er ineens en spreekt hij cryptische woorden: “Alles wordt gesloten. Het sluit. Alles sluit”.

Van Pinter, schrijver van The Homecoming, Betrayal, The Birthday Party en The Caretaker, zijn we subtieler mysterie gewend. In Party Time is de dialoog soms ronduit gemakzuchtig: “Je zei dat je man dood ging.” / “Mijn wat?” / “Je man.” / “O, mijn man. O ja. Dat is ook zo. Hij ging dood.”

Pinter schreef het satirische Party Time na afloop van de Golfoorlog, zoals gezegd in maart 1991, dezelfde maand dus nog. Te heet van de naald waarschijnlijk om Thomas Manns waarschuwing ter harte te nemen, al heeft hij zijn walging nog wel een vorm kunnen geven.

De tweede tekst, "ironisch' De Nieuwe Wereldorde getiteld en ook al haastje repje geschreven, is een herhalingsoefening. Twee soldaten (?) bespreken hoe zij een geblinddoekte man gaan martelen. “Ik voel me zo rein”, zegt de ene. De andere weet waarom: “Omdat je de wereld schoon houdt voor de democratie”. In One for the Road, in 1984 geschreven na een bezoek aan het mensenrechten schendende Turkije, voert Pinter ook een beul en zijn slachtoffers op. Door te martelen zegt de beul "de wereld schoon te houden'. "Voor God', in dit geval, maar principe, strekking en situaties van beide stukken verschillen nauwelijks van elkaar.

In Bergtaal, het derde stuk, staan er alweer militairen tegenover weerlozen. (Alleen al daarom kan Party Time beter tussen beide overige stukken geprogrammeerd worden). Ze maken vernederende opmerkingen, uiten dreigementen, verbieden de slachtoffers hun eigen taal te spreken. Pas als een oude vrouw dood is, krijgt ze toestemming haar taal te spreken. En over de doodsstrijd van een gevangene zegt een sergeant aan het slot van het stuk: “Moet je dat zien. Je slooft je uit om ze een helpende hand te bieden en zij maken er een kutzooi van.” Donkerslag.

Besjes

Het geniale van de vroegere Pinter was, dat je hem zo slecht volgen kon. En het probleem met de nieuwe is, dat je hem zo goed begrijpt. Al verstaat hij nog altijd als weinig anderen de kunst suspense in zijn dialogen aan te brengen - waar in zijn vroegere werk het raadselachtige wit tussen de regels intrigeerde, loopt er nu een heldere lijn tussen goed en kwaad. Hij plaatst militairen tegenover besjes en iedereen weet dan van kilometers afstand (behalve wanneer de soldaat het wijfje de straat over helpt) voor wie hij partij moet kiezen.

Demagogisch kun je die aanpak niet noemen. Pinter vertekent de werkelijkheid niet, de televisie toont dagelijks beelden uit het voormalige Joegoslavië die doen vrezen dat zijn situaties maar al te zeer op waarheid berusten. Maar dat is meteen het bezwaar, het stuk valt samen met de werkelijkheid, er zit geen afstand meer tussen de verbeelding en het verbeelde. Pinter maakt met andere woorden geen kunst meer.

Op de vraag waar zijn werk over ging antwoordde Pinter ooit: “Over de wezel onder het drankkastje.” (In een toespraak vertelde hij eens hoezeer hij die uitspraak betreurde: hele generaties literatuurstudenten en andere exegeten hadden er tot zijn stomme verbazing de sleutel tot zijn werk in gezien.) Uiteraard bevatte die grap een kern van waarheid: Pinter was een nihilistisch toneelschrijver die het publiek met vraagtekens boven het hoofd de zaal uitstuurde. Daarom kon hij (in 1961) zeggen: “Als ik de wereld iets te vertellen had (-) deed ik iets anders. Dan zou ik godsdienstleraar zijn, of politicus misschien. Maar als je de wereld niet een bepaalde boodschap te brengen hebt, expliciet en direct, dan ga je rustig door met schrijven en voel je je daar prettig bij.”

Pinter is zo niet godsdienstleraar of politicus dan toch in elk geval idealist geworden. Ik ben benieuwd of Toneelgroep Amsterdam hem kan redden.