Het spook met de glimmende ogen

Om de veertien dagen, op vrijdagmiddag omstreeks vijf uur, kwam Oma Sasa van Plantage Onoribo naar de stad Paramaribo, waar ze een heel klein huisje had op het erf van de opa van Arturito. Het hele huis bestond uit een kamer met een kookraam dat uitkeek op de oude mangoboom en de rest van het achtererf dat wild begroeid was.

Als Oma Sasa plaatsnam op de houten brits, de enige zit- en ligplaats in haar verveloze eenkamerwoning, dan betekende dat dat ze bereid was te vertellen.

Nooit echter vertelde oma Sasa een spookverhaal voordat de zon was ondergegaan, en voordat zij een ooghaar had uitgetrokken die ze vervolgens zo ver mogelijk had weggeblazen.

Daarop volgde de toverspreuk "Ir Ting, Ting' waarna Anton, Dolores, Dehlia, Ronald, Dehlia en Arturito, de kinderen van het erf steevast uitriepen "Kri Kra'. Dat was het ritueel dat vooraf ging aan het vertellen van spookverhalen volgens de traditie van plantage Onoribo. Arturito, de jongste van het stel, kroop altijd dicht tegen haar mollige lijf en legde zijn krullekop tegen haar linker borst als was het een heerlijk zacht hoofdkussen.

Dit keer ging het verhaal als volgt: In het Indianendorp Poika bij de Koemakoemakreek woonde de Indiaanse prinses Selma. Haar vader was opperhoofd, tevens medicijnman en priester van het dorp. Selma was in alle dorpen in de omstreken beroemd om haar schoonheid. Zij had prachtig gitzwart haar tot op haar billen. Van voren droeg ze het in een ponnie tot net boven haar glanzende blauwzwarte ogen. Net als de andere meisjes en vrouwen in het dorp waste zij zich na zonsondergang, bij schemerlicht in het kleine meer waar de Koemakoemakreek in uitmondt. Het opperhoofd, de vader van Selma, had haar echter streng verboden om zich bij volle maan in het meer te wassen. Hij weigerde erbij te vertellen waarom dat niet mocht. Dat vond Selma heel irritant want juist bij volle maan kon je je nog later wassen. Bovendien zag het meer er dan sprookjesachtig uit met dat hoge oerwoud er omheen. Op zekere dag was Selma alleen thuis. Het landschap baadde in het zilveren licht van de maan. Selma kon de verleiding niet weerstaan en ging zich toch wassen in het meer. Het liep verschrikkelijk af. Selma verdronk op raadselachtige wijze onder de ogen van haar vriendinnen op een plek waar het water heel laag stond en het eigenlijk onmogelijk was om te verdrinken. Het nieuws van de verdrinkingsdood van Selma maakte diepe indruk op de dorpsgenoten. Heel het dorp was verdrietig en de meisjes en vrouwen wikkelden zich zes weken lang in witte lappen als teken van rouw. De oude mensen in het dorp dachten dat de Watramama, de watergodin, die zich soms bij volle maan liet zien, jaloers was geworden toen ze zo'n beeldschone jonge vrouw bij het meer zag. Daarom had ze Selma ongemerkt onder water getrokken. Na Selma's dood verschenen er soms omstreeks het uur dat zij was verdronken, op een bepaalde plek bij het meer twee vurige ogen tussen de struiken. De oudere bewoners van het dorp fluisterden dat het de geest van Selma was, die haar vriendinnen, die zich nog steeds in het meer wasten, kwam begroeten.

De kinderen waren stil geworden van dit droeve verhaal. Opeens lichtte Arturito zijn hoofd van zijn speciale hoofdkussen en riep met glimmende oogjes: Maar natuurlijk was dat geen geest! Dat was natuurlijk een roofdier wat ze steeds zagen. Misschien wel een luipaard of een zwarte panter.