"Het gaat over Maastricht, niet over mij'

PARIJS, 4 SEPT. In een bijna drie uur durende tv-show over het Verdrag van Maastricht waarin hij energiek en volgens Le Figaro van vanmorgen zelfs “briljant” de Europese monetaire en politieke unie verdedigde, heeft de president François Mitterrand de suggestie afgewezen dat hij aanvaarding van het verdrag veilig kan stellen door tevoren zijn vervroegd aftreden bekend te maken. Het Franse referendum op 20 september over ratificatie van "Maastricht' moet geen “omgekeerd plebisciet” worden, aldus de president. En: “Ik strijd voor het "ja' en wil me niet verdiepen in de gevolgen van een hypothetische overwinning van het 'nee'.”

In de uitzending die een meer pedagogisch dan polemisch karakter had, kwam ook de Duitse Bondskanselier Helmut Kohl aan het woord. Kohl wees de opvatting als zou de Europese Unie een "Duits Europa' worden als absurd af. “Fransen en Duitsers moeten samen als Europeanen over de toekomst beslissen”, zo hield Kohl de tv-kijkers in naam van de Frans-Duitse vriendschap voor.

De Fransen die zeggen tegen ratificatie te zullen stemmen - circa 47 procent volgens de laatste opiniepeilingen - laten zich daarbij leiden door afkeer van de politiek, van de regerende socialisten en van president Mitterrand, die slechts bij 33 procent van de 38 miljoen kiezers populair is. Het optreden van de president zou, zo vreesden sommige voorstanders van "Maastricht', contraproduktief kunnen zijn. Mitterrand streed gisteravond met verve en inzet voor een “plebisciet over Europa”. Een "nee' zal de geschiedenis van Frankrijk en de Fransen schade berokkenen, zo zei hij.

Tegenover de soms emotionele uitspraken van twintig "gewone' Fransen die een doorsnede van de bevolking moesten voorstellen, stelde Mitterrand zich pedagogisch op. Twee boeren die de “genocide van de landbouwers” en de “wanhoop van het platteland” aanklaagden, hield hij voor dat de Franse landbouw al niet meer zou bestaan zonder de Europese gemeenschappelijke markt. Bekende bezwaren als de "Brusselse technocratie' relativeerde hij. Mitterrand: “De Europese Commissie telt slechts iets meer ambtenaren dan de stad Marseille.”

De werkloosheid, sociale politiek, invoering van de 36-urige werkweek, de mogelijkheid van een Europese belasting en uitwisseling van studenten waren enkele andere onderwerpen die in de gedachtenwisseling met de "tribune' aan de orde kwamen.

Pag.5: Debat met Séguin vooral hoffelijk

De president gaf toe dat in het verdrag van Maastricht en binnen de Europese Gemeenschap als geheel niet alles geregeld is zoals wenselijk wordt geacht. Zo is het verdrag “een etappe die vooraf gaat aan de opbouw van een gemeenschappelijk sociaal beleid”. En het "Europese burgerschap' moet volgens Mitterrand “naar alle terreinen worden uitgebreid want de huidige Gemeenschap is koud en abstract”.

Na deze discussie viel het hoffelijke debat met Philippe Séguin, de aanvoerder van de nee-campagne tegen de Europese Unie, enigszins in het water. Séguin voerde als belangrijkste bezwaar dat het opgaan van de Franse franc in de toekomstige gemeenschappelijke Europese munt een verlies van soevereiniteit en een “toeneming van de technocratie” betekent omdat alleen de Europese centrale bank, onafhankelijk van de regeringen van de lidstaten, verantwoordelijk zal zijn voor het monetaire beleid. De Franse president stelde daar tegenover dat dit beleid onderdeel is van het economische beleid van de Europese Unie “dat bepaald wordt door de Europese Raad van staats- en regeringsleiders die allen volgens algemeen kiesrecht zijn verkozen”.

Het Verdrag van Maastricht is volgens de Franse president de "derde etage' van het Europese bouwwerk - na het Verdrag van Rome en de Europese Akte. De Europese monetaire en politieke unie, zoals voorzien in het verdrag, is volgens hem nodig om Frankrijk en Europa te beschermen tegen de gevolgen van de invoering van de uniforme gemeenschappelijke markt. Hij prees de Duitsers, “die een groot offer hebben gebracht” door in te stemmen met het opgaan van de Duitse mark in de toekomstige Europese eenheidsmunt.

Het "Bonsoir Helmut' en "Bonsoir François' waarmee Mitterrand en Kohl elkaar via de tv-lijn tussen Parijs en Bonn begroetten, symboliseerde de Frans-Duitse vriendschap waarop Kohl zich vervolgens in zijn korte interventie beriep. “Waarom wilt u dat Frankrijk een minderwaardigheidscomplex heeft?”, hield Kohl een vragensteller voor. Als het debat “een eind maakt aan het anti-germanisme” dan heeft het tenminste ergens toe gediend, schrijft de hoofdredacteur van Le Figaro vanochtend opgelucht. Onze correspondent in Madrid voegt hieraan toe: Het Spaanse parlement heeft gisteren geweigerd om net als in Italië de ratificatie van het verdrag van Maastricht te behandelen vóór 20 september, de dag waarop in Frankrijk het referendum over de Europese unie wordt gehouden. Premier Gonzalez had op een spoedprocedure aangedrongen omdat een snelle goedkeuring “een goed gebaar zou zijn naar de publieke opinie in de rest van Europa, in het bijzonder die in Frankrijk”. Bij het opstellen van de parlementaire agenda voor dit najaar besloten echter zelfs de vertegenwoordigers van zijn eigen partij zich aan te sluiten bij degenen die een dergelijke haast niet in het belang achten van een evenwichtige besluitvorming. Zij stemden blanco. Volgens sommige parlementariërs zou Spanje zich zelfs belachelijk maken door een goedkeuring vlak voor het Franse referendum. Na een eventueel "nee' in het buurland zou immers een geheel nieuwe situatie ontstaan waardoor het debat meteen weer opnieuw zou moeten worden gevoerd.

Gisteren verklaarde Gonzalez zich nogmaals in heftige bewoordingen een tegenstander van het houden van een referendum in eigen land. Tijdens een persconferentie met zijn Griekse collega Mitsotakis legde Gonzalez uit dat de bevolking desgevraagd altijd zegt dat zij geraadpleegd wenst te worden en meer informatie wenst. Toegeven aan dit verlangen zou echter “de liquidatie van het systeem van representatieve vertegenwoordiging” betekenen. Hij herinnerde aan het Spaanse referendum van 1986 over de NAVO. Hoewel er toen een maandenlange publieke discussie was gevoerd, noemde een meerderheid van de bevolking zich aan het slot daarvan in enquêtes nog altijd “slecht geïnformeerd”.