Het droge realisme van Vallotton bereikt soms bijna surrealisme

Tentoonstelling: Félix Vallotton, 1865-1925. Retrospectieve van schilderijen, tekeningen en grafiek. Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. T/m 1 nov. Ma t/m za 10-17 u, zo 13-17u. Engelstalige catalogus ƒ 69,50.

Wie niet gehinderd door enige voorkennis een rondgang maakt langs de overzichtstentoonstelling in het Van Gogh Museum van Félix Vallotton (Lausanne, 1865 - Parijs, 1925), waant zich in een groepstentoonstelling. De portretten, naakten, interieurs, landschappen en stillevens lijken uitgezocht op hun gelijkgestemde sfeer van gelaten achteloosheid. Je vraagt je alleen af waarom het werk van die ene eigenzinnige kunstenaar zo verspreid is opgehangen tussen al die minder grote meesters van omstreeks de eeuwwisseling. Zijn schilderijen vallen op en doen verrassend actueel aan.

Aan Vallottons oeuvre valt geen enkele chronologie af te lezen. Je verwacht dat hij het eerste schilderij van de tentoonstelling - een klassiek geschilderd portret van een wat onzekere jongeman die nog moet wennen aan zijn Lenin-sikje - in zijn beginjaren maakte en dat hij met de Kuifje-achtige prenten met een klare lijn, zijn carrière afsloot. Maar gelet op de jaartallen blijkt er geen sprake te zijn van een ontwikkeling van sik naar kuif.

Félix Vallotton is een merkwaardig figuur. In de kunstgeschiedenis telt hij nauwelijks mee, gezaghebbende naslagwerken vermelden slechts zijn naam of laten hem volkomen links liggen. En dat terwijl Vuillard ooit over hem zei: “Vallotton zal zich van ons allen het langst weten te handhaven.” Met "ons' bedoelde Vuillard de Nabis (Hebreeuws voor profeten), een schildersgroep bestaande uit Sérusier, Denis, Lacombe, Roussel, Ranson, Ibels, Verkade, Cottet, Bonnard en met Paul Gauguin als hogepriester. De van huis uit streng calvinistische en methodisch ingestelde Vallotton moet in dit gezelschap van idealisten en dromers een vreemde eend in de bijt zijn geweest.

Al wordt de retrospectieve in het Van Gogh gepresenteerd als zijn eerste overzichtstentoonstelling buiten Zwitserland, in 1954 wijdde het museum Boymans in Rotterdam ook al een tentoonstelling aan hem van nagenoeg dezelfde omvang. Vallotton zal nu echter meer indruk maken dan in de jaren vijftig en dat komt niet alleen doordat de catalogus een paar kilo meer weegt.

Een mooi voorbeeld van een typisch Vallotton-schilderij, waarvan er minstens twintig op het totaal van honderd op de tentoonstelling aanwezig zijn, is Intimité. Een vrouw bij een man op schoot. Ze omhelzen elkaar op een fauteuil. Er staat een hoekig kamerscherm en op tafel liggen boeken met hun ruggen naar boven gericht. Op de schoorsteenmantel staat een schilderijtje in een witte lijst en ook de nis in de schoorsteenmantel heeft een witte omlijsting. Een vaas bloemen lijkt te zweven tussen het scherm en een kast. De stijl waarin de kamer is ingericht doet aan Berlage denken. Van sfeer en schildertrant is dit boek bijna tegengesteld aan de interieurscènes zoals Vuillard die licht en losjes schilderde.

Intimité heeft eerder de droge fotografische stijl waarmee Edward Hopper veel later naam maakte. Vallotton schuwt de saaiheid niet, het doek is zo vlak en strak ingeschilderd als een Ravensburger kleurplaat. De vormen zijn ingevuld met een beperkt aantal kleuren, waarbij hij geraffineerd gebruik maakt van tussenliggende tonen zodat er een sterke binding in het doek ontstaat; oranje, rode en bruine tinten domineren. Het doek is vrij van een vooropgelegde symboliek en de titel is een bijna overbodige hint naar de inhoud.

Vallotton schilderde Intimité in 1898 toen hij 33 jaar was en al zeventien jaar in Parijs woonde. Hij had op dat moment een verhouding met Hélène Chatenay, een meisje van eenvoudige komaf die hij meermalen als model gebruikte. Een jaar later liet hij haar schieten voor Gabrielle Rodrigues-Henriques, geboren Bernheim-Jeune - dochter van een invloedrijke galeriehouder - met wie hij zou trouwen. Aan zijn broer schrijft hij opgetogen, dat zij een goed pensioen krijgt voor haarzelf en haar kinderen en dat haar familie invloedrijk en welgesteld is. Ook vermeldt hij nog dat hij van haar houdt. Vallottons houtsneden worden op dat moment veelvuldig gepubliceerd; in Parijs is hij een van de meest vooraanstande illustratoren van zijn tijd.

Uit hetzelfde jaar als Intimité dateert een serie van tien schitterende houtsneden eveneens met de titel Intimités waarin hij telkens met minimale middelen gespannen momenten tussen man en vrouw weergeeft. De serie werd gepubliceerd in La Revue Blanche. Ook maakte hij toen de prent The Age of Paper, die als cover werd afgedrukt op de pro-Dreyfus krant Le Cri de Paris. Daarop zijn in eenvoudige vlakken en klare lijnen op een terras enkele heren met hoge hoeden weergegeven, die hun kranten bevestigd aan stokken als vlaggen voor zich houden. Een opvallend detail op de voorgrond is een likeurglaasje op een schoteltje. Het lokt het oog van de kijker, maar op het terras lijkt niemand in consumpties geïnteresseerd. Het is dan ook de dag dat Emile Zola's J'Accuse in L'Aurore staat afgedrukt.

Vallotton heeft veel prenten gemaakt van het Parijse straatleven. In het album Crimes et Chatiments, bestaande uit drieëntwintig litho's - die het Van Gogh Museum voor de gelegenheid heeft aangekocht - is een litho afgedrukt die mogelijk Hergé heeft beïnvloed. Twee gendarmes op de stoep zijn getuige van een ongeluk; een klein meisje komt onder de wielen van een auto terecht. De ene agent houdt de ander tegen die er verschrikt op af wil gaan. "Eerst salueren, het is de auto van het hoofdbureau!' staat onderaan de pagina geschreven. Later, tijdens de Eerste Wereldoorlog, waaraan hij als vrijwilliger deelnam, maakte hij spotprenten waarin hij het Duitse militarisme hekelde.

Aan het eind van zijn meest produktieve jaar, 1925, stierf Vallotton na een operatie. Hij had kanker en leed aan depressies. Twee dagen voor zijn dood voltooide hij zijn laatste schilderij, een landschap.

In Vallottons beste schilderijen heerst helderheid. De contrasten, het tegen elkaar uitspelen van vormen, zoals hij dat in zijn prenten doet, keren hier terug. “Mijn schilderkunst is misschien slecht, maar mijn tekeningen zijn goed,” zei hij, maar erg zeker van zijn zaak was hij niet. Vallotton hoopte door veel uit te proberen en zijn Nabis-vrienden te imiteren tot een nieuwe inhoud te komen zonder gebruik te maken van uitgekauwde metaforen. Hij zocht aansluiting bij een traditie van voor het Impressionisme, zocht daarbij naar nieuwe vormen, maar wist geen resultaat te bereiken dat hem in een moderne stroming zou doen belanden. Dat nu maakt zijn kunst actueel. In zijn droge realisme bereikte hij soms onbedoeld bijna het surrealisme van René Magritte. Het ontbreken van, laten we zeggen, een zwevend bolhoedje in een van zijn laatste landschappen Un soir au bord de la Loire maakt de sfeer niet minder vreemd. Nu is het een eenzame visser met een hengel en een bootje die je doen realiseren dat ook de werkelijkheid een malle vertoning kan zijn.

Er mag weliswaar geen sterke persoonlijkheid uit Vallottons overzichtstentoonstelling spreken, het oeuvre dat de wat saaie Zwitserse puzzelaar heeft nagelaten laat goed zien hoe hij worstelde met de warrige tijd waarin hij leefde. Hij wist daarin zo nu en dan tot een merkwaardige helderheid te komen.