"Georgië haat minderheden'; Abchaziërs ontkennen afscheiding

DEN HAAG, 3 SEPT. “Van Sjevardnadze hadden we meer verwacht. Toen hij naar Georgië kwam, dachten we dat we onze problemen met de Georgiërs zouden kunnen oplossen”, zegt Goeram Goemba, Abchaziër, afgezant van de Abchazische president Ardzinba en lid van het "Noordkaukasische parlement'.

Het liep anders, met Sjevardnadze. Het kwam tot een confrontatie, drie weken geleden zelfs tot een militaire inval in de autonome republiek Abchazië, tot een bezetting door het Georgische leger, tot bombardementen, tot felle strijd bij Gagra, met honderden doden: een nieuwe conflicthaard op het grondgebied van de ex-USSR.

De Abchaziërs, zeggen de Georgiërs ter rechtvaardiging van hun inval van 14 augustus, wilden zich afscheiden van Georgië: ze wilden de onafhankelijkheid uitroepen, hadden dat al gedaan door hun grondwet van 1925 in ere te herstellen. En dat kan Georgië niet toestaan, want Abchazië maakt al sinds de negende eeuw deel uit van Georgië, al meer dan duizend jaar.

Het klopt niet, zegt Goemba, een nerveuze, kettingrokende dertiger met een kaal hoofd. “Abchazië is altijd onafhankelijk geweest, behalve tussen de elfde en de dertiende eeuw, toen vormden we een soort federatie met Georgië, en vanaf 1864, toen we onderdeel werden van het Russische rijk.” In 1931 pas, zegt Goemba, zijn we deel gaan uitmaken van Georgië, als autonome republiek, dat was Stalins werk.

Het klopt ook niet dat we de onafhankelijkheid hebben uitgeroepen, zegt hij. Het probleem met de Georgiërs is begonnen toen ze ons vorig jaar onze autonomie afpakten en ze in februari de grondwet van 1921 uit de kast haalden. “Die grondwet werd ons toegestuurd, we moesten ermee instemmen, op straffe van juridische vervolging, zeiden ze erbij. En dat zonder enig overleg.”

Maar die grondwet van 1921, zegt hij, is voor ons niet aanvaardbaar, die nieuwe grondwet maakt een eind aan onze autonome status, aan de interne Georgische grenzen, aan al onze rechten. Vandaar dat wij onze grondwet van 1925 te voorschijn hebben gehaald. Maar dat is geen afscheiding, zegt Goemba. Toen op 14 augustus het Abchazische parlement bijeenkwam, wilde het praten over een verdrag met Georgië, dat voorziet in een federatie, bestaande uit de soevereine staten Georgië en Abchazië, beide intern autonoom. Dat is alles, zegt Goeram Goemba, over afscheiding hebben we het nooit gehad, geen enkel Georgisch recht wordt geschonden, in zo'n federatie, daar hebben we heel goed op gelet.

De Georgiërs zagen dat anders, en stuurden hun leger, onder de strijdlustige minister van defensie Kitovani, de werkelijke leider van Georgië, zegt Goemba: niet Edoeard Sjevardnadze is de baas in Tbilisi, maar Tengiz Kitovani, en hij heeft geroepen dat er van autonomie voor Abchazië geen sprake kan zijn.

In feite, zegt Goemba, hebben de Abchaziërs het al langer met de Georgiërs aan de stok: Gamsachoerdia, de in januari verdreven president, schafte vorig jaar al de autonomie van Abchazië af. “We zouden geen problemen met de Georgiërs hebben als we te maken hadden met een beschaafde staat en de garantie hadden dat onze rechten worden gegarandeerd. Maar die rechten worden geschonden”, zegt Goemba. Kijk maar naar die grondwet van 1921, naar de afgepakte autonomie. Ons parlement heeft onlangs een nieuwe regering benoemd, maar de pro-Georgische minister van binnenlandse zaken weigerde zijn ontslag te accepteren, hij barricadeerde zich in zijn kantoor, anderhalve maand heeft hij het daar nog uitgehouden, hij moest er met geweld uit worden gezet, en Tbilisi erkent zijn ontslag nog steeds niet.

De Georgiërs moeten niets van de minderheden hebben, zegt Goemba. Veel Abchaziërs zijn ontslagen, in gebieden waar de Georgiërs in de meerderheid zijn. Er is een district waar 396 van de 400 Abchazische families werkloos zijn geraakt en zijn verdreven.

De Georgiërs zijn overal in de meerderheid: zij vormen 44 procent van de bevolking. Abchazië is maar een klein landje, 8500 vierkante kilometer aan de Zwarte Zee, met ruim een half miljoen inwoners. De islamitische Abchaziërs maken daarvan maar ruim 18 procent uit: een minderheid in eigen land. De rest van de bevolking bestaat uit Russen, Grieken, Armeniërs. Van hen moeten de Georgiërs ook niets hebben, zegt Goemba. De leider van de Russen is opgepoakt en wordt gemarteld, en de leider van de Armeniërs, Robert Keijan, eveneens, Robert Keijan, zegt Goemba, ligt nu in een ziekenhuis, hij is stervende.

Toch steunen veel Abchazische Georgiërs de Abchazische zaak: “Het zijn eigenlijk geen èchte Georgiërs, het zijn Megreliërs, ze spreken een andere taal. De meesten zijn neutraal, er zijn er ook die met ons meevechten. Net zoals er Tsjetsjeense, Dagestaanse en Koeban-kozakse vrijwilligers meevechten tegen de Georgiërs.

In de schaduw van dit conflict speelt nog een tweede: dat tussen de Georgische leiding en de aanhangers van Gamsachoerdia, die na zijn verdrijving zijn toevlucht heeft gezocht in Tsjetsjenië. In Georgië wordt sindsdien gevochten tussen het Georgische leger en de aanhang van Gamsachoerdia, die de thuisbasis vlak aan de Abchazische grens heeft.

Goemba wil zich niet mengen in dat conflict: of Gamsachoerdia dan wel Sjevardnadze de baas is in Tbilisi is een intern-Georgische zaak, daar staan de Abchaziërs buiten, al wil hij wel kwijt dat hij de gewelddadige verdrijving van een democratisch gekozen president - Gamsachoerdia - niet in de haak vindt. Maar dat wil niet zeggen dat hij Gamsachoerdia ziet zitten: wat Sjevardnadze nu doet, zegt hij, is het uitvoeren van een plan van Gamsachoerdia, hij was de man die ons vorig jaar onze autonomie afnam.

Goemba is lid van het Noordkaukasische parlement, een soort Europarlement, zegt hij, waarin volkeren zijn vertegenwoordigd als de Abchaziërs, de Ossetiërs, de Dagestanen, de Tsjetsjenen. Het is het parlement van de Confederatie van Bergvolken van de Noordelijke Kaukasus. Het zetelt in Grozny, in het Tsjetsjenië van generaal Doedajev, de vriend van Gamsachoerdia en de man die zijn land van Rusland heeft afgescheiden en die heeft gedreigd Russische kerncentrales op te blazen als Boris Jeltsin troepen stuurt.

Maar is dat niet het parlement dat vorige week nog even van zich deed spreken toen het opriep tot terroristische acties tegen doelen in Georgië en aankondigde dat Tbilisi in een “rampgebied” zal worden herschapen?

De vraag leidt even tot consternatie, bij de nerveuze Goemba en zijn tolk. Maar men hervindt zich snel. Ook dat is niet waar, zegt Goemba. “Zo'n resolutie is er nooit geweest. Ik was er niet bij, in Grozny, maar ik heb alle resoluties gelezen. Het woord terrorisme komt nergens voor. We hebben dat bericht gelezen. We hebben het tegengesproken. We hebben erom gelachen.” En hij lacht, Goeram Goemba, maar hij lacht niet van harte.