Gelukkig volk

Uit het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, zoals het in de krant is weergegeven, doemt een gelukkig volkje op dat zich ondanks de krimpende gezinnetjes gestaag vermenigvuldigt.

Zonder boosheid kijken de Nederlanders naar hun buren als die een gulden meer verdienen of een andere kleur hebben. 's Avonds scharen ze zich om de tv, 's zondags gaan ze in de auto zitten; maandag gezond weer op of in de WAO, en in dat geval hebben ze meer last van een verstopte neus dan van aambeien. Onder alle omstandigheden voelen ze zich veiliger omdat de gemiddelde celstraf voor rustverstoorders van 3,2 naar 5,9 maanden is gestegen.

Met prijzenswaardige veerkracht heeft onze verzorgingsstaat de crisis doorstaan. "Nederlanders zijn tevreden maar pessimistisch'. Zo kunnen we na lezing van de 500 pagina's de toestand van de natie samenvatten. Niets is het Bureau verborgen gebleven. Zijn rapport stelt ons in staat ons een voorstelling te maken van de gemiddeld ongelukkigste en de gemiddeld gelukkigste Nederlander, de gemiddelde uitersten van het volk. Daaruit valt op te maken dat de lotsamplitude gering is. Het was bekend maar het is goed dat het van tijd tot tijd wordt bevestigd. De gelijkmatigheid in het leven van de meerderheid der individuele burgers leidt onherroepelijk tot gelijkmatigheid in het volksbestaan. Anders gezegd: dit is een melig land. Dat had ook de titel van het rapport kunnen zijn, maar daarmee kun je geen vijfhonderd pagina's tekst en statistiek rechtvaardigen.

Na het lezen van drie samenvattingen schoten me twee namen te binnen: Jan Ligthart en H. Scheepstra, degenen die al voor de Eerste Wereldoorlog, voor er iemand van een Sociaal en Cultureel Planbureau had kunnen dromen, al de voorloper tot zo'n rapport hebben geschreven. Of misschien was hun oeuvre niet alleen een rapport maar zonder dat ze het wisten of wilden, ook een zichzelf vervullende voorspelling.

De Eerste Wereldoorlog heeft ons overgeslagen, in de Tweede is een deel van het volk vrijwel uitgeroeid en een stad met de grond gelijk gemaakt, in de Koude Oorlog hebben we eerst onbetwijfelbaar aan de goede kant gestaan, daarna zijn de jaren zestig met de culturele minirevolutie over het land gegaan en tenslotte is de "Hollanditis' uitgebroken (wie hoort er nog van? Is het woord opgenomen in de nieuwe Van Dale?). Nee, op den duur hebben we ons niet aan de wereldgeschiedenis kunnen onttrekken. En toch: we zijn weer een tevreden, zij het pessimistisch volk dat het liefst aan de televisie zit, soms moe, of met hoofdpijn of een verstopte neus. Maar we zitten weer, zoals Cornelis Jetses ons heeft getroffen. Afgezien van de televisie is het, als we op dit rapport afgaan, een miraculeuze sociale en vooral culturele restauratie.

Er is één verschil. Op de mooie staafdiagrammen in deze krant van maandag is duidelijk te zien dat het lezen "totaal' en van kranten, boeken en tijdschriften afzonderlijk in zachte regelmaat afneemt terwijl het kijken naar de televisie idem stijgt. Jammer genoeg staat er niet bij, naar wat voor programma's het meest wordt gekeken en welk soort lectuur gaandeweg in het verdomhoekje raakt, maar als je weleens een tijdschriftenwinkel binnenloopt of op latere avonden op straat lopend steekproeven op andermans televisie neemt, weet je eigenlijk al genoeg. "In 1990 werd veertig procent van de vrije tijd thuis voor het scherm doorgebracht. Lezen en praten met huisgenoten werden hiervan de dupe.'

Ja, natuurlijk. Van lezen komt praten over wat je hebt gelezen. Mensen die kijken willen niet dat erdoorheen wordt gepraat en als ze de hele avond hebben gekeken zijn ze te duf om nog een stom woord te zeggen. Dat is het verschil tussen onze tijd en die van Ligthart, Scheepstra en Jetses. Zij gaven een wereld van vraag en antwoord, dialogen en gesprekken weer. In die van ons is de monoloog aan de winnende hand, het geluid uit een kastje dat zich niets aantrekt van wat je er ook tegen zou zeggen.

Ik heb die voorspellingen nooit geloofd: het gedrukte woord is in zijn nadagen, in de volgende eeuw zal het gedaan zijn met boek en krant, journalisten en schrijvers beoefenen uitstervende beroepen, enzovoort. Nu voor het eerst, na dit rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau begin ik er anders over te denken. Het komt niet doordat ik simpelweg geloof aan "de superioriteit van het beeld boven het woord' maar omdat men het blijkbaar vanzelfsprekend vindt. Hoe moet je die vreemde combinatie anders verklaren? Tevreden maar pessimistisch. Je ziet het inwendige van het gemiddelde volkshoofd voor je, grijs als de hemel zoals vroeger, en nu ook woordloos kijkend naar de buis.