Frits Bolkestein dreigt gek te worden

“Zijn intellectuelen wel geschikt voor het politiek bedrijf? Is de politiek gebaat bij een grotere invloed van intellectuelen? Driewerf neen, volgens mij!” Zo schreef G.A. van der List, wetenschappelijk medewerker van de liberale Teldersstichting, twee jaar geleden in het kwartaalschrift Civis Mundi.

Maar wat moet de natie dan aan met zijn partijgenoot Frits Bolkestein, een onmiskenbare lettré, die toneelkritieken schreef voor de Haagse Post zaliger nagedachtenis en op de opiniepagina's van 's lands deftigste krant met een man als Noam Chomsky polemiseerde?

In sommige opzichten is de VVD-fractieleider atypisch voor zijn partij. Hij is socialist noch socialistenvreter. Als jonge student stemde hij Drees en als er geen liberale partij was geweest, zo bekende hij eens tijdens een forumdiscussie, dan was de politieke keuze voor hem niet moeilijk geweest: “Dan stemde ik op Wim Kok”.

Niettemin geldt Bolkestein inmiddels als een onvervalste havik die bezig is, aldus zijn critici, "de Centrumpartij in de kaart te spelen'. Dat ligt aan zijn rol in het zogenaamde minderhedendebat. Het minderhedendebat? Laat me niet lachen! Dat bestond uiteindelijk uit twee forums, een rondetafelgesprek, enig volstrekt verwaarloosbaar gemompel van ambtelijke zijde benevens een poging van voornoemde Bolkestein een paar elementaire elementen in de discussie te brengen.

Wat heeft hij precies gezegd?

Bolkestein betoogde dat de in Nederland gevestigde minderheden, met name de islamitische gemeenschap, zich aan de normen van de Westerse samenleving dienen aan te passen. Hij is vóór fundamentele beginselen als verdraagzaamheid, non-discriminatie, de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting. “Iedereen in Nederland, islamiet zowel als niet-islamiet, heeft zich te houden aan de wetten die uit deze beginselen zijn voortgekomen”.

Daar is dus niets mis mee, zou men denken. Goed, Bolkestein heeft wellicht de fout gemaakt zijn betoog teveel met ver-aziatische exotica als de weduwenverbranding en de veelwijverij te illustreren, verschijnselen die in de Nederlands-islamitische samenleving een hoge zeldzaamheidswaarde hebben.

En hij heeft de fout begaan niet te beseffen dat je deze dingen in Nederland, als politicus, niet kunt zeggen. Ja, in de veilige beslotenheid van je studeerkamer kun je beweren wat je wil, zelfs als politicus. Maar een publiek optredend politicus heeft zijn recht op individueel opereren verloren. Hij steunt op een achterban en je kunt je in bijvoorbeeld zo'n minderhedendebat nog zo kritisch èn genuanceerd opstellen, je maakt altijd de indruk dat je via een intellectuele omweg bezig bent je achterban of je potentiële achterban te behagen. Het standpunt van zo'n achterban congrueert lang niet altijd met het standpunt van de politieke voorlieden. Wim Kok heeft het gemerkt toen hij zijn achterban met de WAO-kwestie overviel. En of er binnen Bolkesteins VVD zo genuanceerd over de minderheden wordt gedacht - ik hoop van wel en ik geloof van niet.

Op het officiële VVD-standpunt over de Griekse junta, twintig jaar geleden, was niets aan te merken. Een man als Berkhouwer had in de Tweede Kamer geen goed woord voor de dienstdoende kolonels. Een man als Portheine uitte in de Raad van Europa felle kritiek op de Grieken. Een man als Toxopeus, de toenmalige fractievoorzitter, distantieerde zich eveneens onvoorwaardelijk van de putschisten. Echter, wat er tegelijkertijd in de villa's te Laren en Blaricum over Patakos en Papadopoulos ten beste is gegeven, ik heb er weinig vertrouwen in. In die tijd heb ik eens een poging gedaan dit soort sluimerende sentimenten in kaart te brengen. Werkelijk, het duurde geen kwartier of ik had de oud-secretaris van de VVD-afdeling Leidschendam aan de lijn, die vrijmoedig bekende: “Als je vertrouwelijk, als VVD'ers onder elkaar, met elkaar van gedachten wisselt, dan ontmoet je vaak véél begrip voor de dingen die daar... aan de hand zijn, dat moet ik zeggen”.

Bolkestein heeft, zo werd hem zaterdag in Trouw verweten, ten minste de indruk gewekt dat hij over de ruggen der minderheden heen aan de weg heeft willen timmeren.

Hij reageerde nogal geïrriteerd op dit verwijt: “Indrukken, indrukken...” zei de VVD-leider. “Wat koop ik daarvoor? Tegen feitelijke argumentatie kan ik me te weer stellen. Maar tegen het koesteren van verdenkingen is geen kruid gewassen.”

Helaas, een politicus staat altijd onder verdenking, want zijn taak is niet alleen het zijne aan de wetgevende arbeid bij te dragen, hij dient er evenzeer voor te zorgen dat zijn partij na de volgende verkiezingen met zoveel mogelijk zetels in 's lands vergaderzaal is vertegenwoordigd.

Bolkestein heeft, na zijn bijdrage aan het minderhedendebat, inmiddels twee ordners vol kranteknipsels verzameld.

“Het is om gek te worden”, zegt hij.

Een groot deel van die reacties was niet erg positief.

“Met permissie, daar begrijp ik niets van”, verzucht hij.

Dat komt omdat Bolkestein óók niet begrijpt dat in politicis een intellectueel instrument als de nuance volstrekt uit den boze is. Anders dan een vertrouwd fenomeen als het compromis, immers de basis voor de consensusmaatschappij waarin wij leven. Een nuance is van een heel andere orde dan een compromis. Een nuance is een intellectuele verfijning van een reeds ingenomen standpunt. Een compromis is een standpunt waarbij je dertig, veertig, vijftig procent van je overtuiging hebt ingeleverd. Daarom willen de meeste intellectuelen - linkse en rechtse - weinig van compromissen weten. En daarom kunnen intellectuelen zich in de regel - daar heeft Frits Bolkestein gelijk in - beter verre houden van de politiek, althans van de politiek van alledag, gekenmerkt door veel moties en weinig emoties.

Hij heeft woensdagmorgen, op uitnodiging van de voornoemde Teldersstichting, een twintigtal studenten toegesproken. Het waren aankomende intellectuelen met enige maatschappelijke belangstelling. Zat daar het politieke kader van de nabije toekomst? “Doe het niet!” bezwoer Bolkestein hun. “Doe het niet! Intellectuelen, èchte intellectuelen houden het in de politiek niet lang uit!'

Het klonk als de verzuchting van een man die al menigmaal heeft overwogen de handdoek in de ring te gooien.