Een kluizenaarshut in de achtertuin

De ideale "folly', een bouwsel dat zich aan elke indeling onttrekt, moet “groot, gotisch, opzichtig, over-ambitieus en nutteloos zijn en er moet bij voorkeur een hoogst onwaarschijnlijke plaatselijke geschiedenis aan zijn verbonden”. In Engeland zijn er niet weinig van. Onlangs hield de Britse Folly Fellowship zijn jaarlijkse feestje met taart en Pimms, in Stancombe Park.

Over het pad loopt een vreemd uitgedoste jongeman. Bleek van aanzien, romantisch van haardracht en gebaar, maar gekleed in een kilt, lijkt hij niet te kunnen beslissen of hij een excentrieke Schot dan wel een navolger van Byron wil zijn. Het pad gaat naar beneden over een paar treden. De volstrekte rust krijgt iets geheimzinnigs: het geluid van stromend water wordt hoorbaar, de lucht wordt vochtig, de atmosfeer krijgt iets drukkends. Opeens verdeelt het pad zich in verschillende paden - het breedste verdwijnt in een tunnel, komt heel even weer te voorschijn, net genoeg voor een enorme witte stenen hond om de bezoeker schrik aan te jagen, en verdwijnt dan weer in de duisternis, schijnbaar doodlopend, ware het niet dat aan het eind een speldeprik licht te zien is. Het licht biedt uitzicht over een meer en hier splitst het pad zich in tweeën: naar links onder een met koepels overgroeid pad langs het meer, naar rechts opnieuw ondergronds en dan naar een kleine binnenplaats met een urn in het midden en deurposten aan elke kant. De ene is een boog van walviskaken, de tweede een Kretenzische deur met een gebogen dorpel en de derde een uitzonderlijke constructie, die doet denken aan een sleutelgat of een Egyptische ankh - regelrecht weggelopen uit “De geschiedenis van de amulet”. De jongeman houdt halt en tuurt bijziend om zich heen, zwaaiend met de zilverbeknopte stok in zijn linkerhand.

Dit is een tafereel uit het diepste binnenland van Engeland, zo ver westelijk dat het bijna Wales heet. Het kon worden waargenomen op een koele dag in juli, in Stancombe Park, een stately home in de buurt van Dursley in Gloucestershire. Hier hield de Britse Folly Fellowship zijn jaarlijkse garden party, compleet met Pimms en een taart-in-glazuur die de Egyptische tempel in Stancombe's folly garden voorstelde.

Laat me, voordat iedereen verrukt uitbarst over die héérlijk dotty Engelse gewoonten, meteen duidelijk maken, dat we hier niet te doen hebben met een uit de achttiende eeuw stammend genootschap van zonderlinge Britten. In tegendeel, de Folly Fellowship - gelieerd aan de Fountain Society, de Georgian Society en de Victorian Society - is nog maar enkele jaren oud en evenmin puur Brits. Een van de grondleggers is de Nederlandse (kerk-)kunsthistoricus Wim Meulenkamp. Hij schreef in 1986, samen met de Engelsman Gwyn Headley, een gids* voor de meer dan duizend "follies' in Engeland, Schotland en Wales. De bovenstaande beschrijving van de folly-tuin van Stancombe Park is aan dat boek ontleend. De Folly Fellowship telt inmiddels een kleine duizend leden, geeft een tijdschrift uit, kent een jaarlijkse beloning voor tekeningen op schaal van follies, grotto's of tuinbouwsels toe aan studenten bouwkunde en verzamelt gegevens als grondslag voor een folly-archief dat zijn weerga niet kent.

Strohoeden

Terwijl de leden van de Fellowship, veelal nadrukkelijk getooid met strohoeden om hun relatieve excentriciteit te onderstrepen, samendromden om de taart, wilde Meulenkamp wel enigszins misprijzend kwijt dat het onderwerp modieuze proporties had aangenomen. Sinds het verschijnen van Follies heeft een stroom publikaties geparasiteerd op de daarin gepresenteerde inhoud, zonder veel nieuws toe te voegen. Een positief effect van al dat enthousiasme is dat de aandacht voor follies - een soort gebouwen dat zich onttrekt aan elke traditionele indeling - hun behoud in de hand werkt. In navolging van het Britse initiatief springen nu folly-genootschappen op tot in België, Duitsland en Nederland. De Nederlandse tak - voorlopig nog gewichtig "De Donderberggroep' getiteld - heeft zich al publiekelijk opgewonden over de mogelijke verdwijning van het (niet eens oorspronkelijke) tuinhuisje van Betje Wolff en Aagje Deken achter het verzorgingshuis Lommerlust in Beverwijk.

Is een tuinhuisje dan een folly? Volgens Gwyn Headley, voorzitter van de Fellowship en hoofd van een PR-bureau in Londen, mag iedereen zelf weten welk bouwsel hij al dan niet als een folly wenst te beschouwen. Er zijn oude en nieuwe follies, van het ananashuis in Dunmore Park in Schotland tot de omstreden glasfiber haai die een bewoner van Oxford in het dak van zijn gemeentewoning laat duiken. Maar idealiter moet een bouwsel “groot, gotisch, opzichtig, over-ambitieus en nutteloos zijn en er moet bij voorkeur een hoogst onwaarschijnlijke plaatselijke geschiedenis aan zijn verbonden”.

Stancombe Park heeft in elk geval dat onwaarschijnlijke verhaal aan zijn tuin verbonden: de man die de folly garden in het midden van de negentiende eeuw liet aanleggen, dominee David Edwards, zou de verste hoek van zijn terrein hebben omgetoverd in een romantisch ontmoetingspunt opdat hij daar, ver verwijderd van de spiedende blik van zijn echtgenote, zijn geliefde kon treffen - volgens overlevering, natuurlijk, een zigeunerin. Praktische overwegingen - bediendenwoningen en een doorgaande weg zijn vlakbij - en historisch aantoonbare onjuistheden - de tuin dateert waarschijnlijk van vóór de komst van de amoureuze dominee - blazen dit verhaal op, maar desondanks wordt het door de Folly Fellowship vertederd doorverteld.

Nee, dan May's Folly, in Hadlow, in Kent. Die beantwoordt aan ál Headley's criteria. Een toren van 13 meter op een toren van ruim 40 meter hoog, gebouwd in 1848 door de welgestelde hereboer/landheer Walter May die met de eerste toren zijn reukvlag in het landschap wilde zetten. Het kleinste torentje bouwde hij er pas bovenop nadat zijn vrouw hem in de steek had gelaten: een bron van speculaties voor de buren. De algemene veronderstelling was dat de squire met dit fallus-symbool zijn ex-echtgenote wilde pesten: ze móest het bouwsel wel zien, waar ze zich ook in de verre omtrek ophield.

Tuinkabouter

De Britse eilanden gaan er prat op dat ze méér follies bevatten - tenminste tien keer zoveel, volgens Headley - dan welk ander Europees land ook. Een van de vroegste bouwsels dateert van het einde van de zestiende eeuw. Het werd gebouwd door een katholiek die zijn obsessie met de Drieëenheid in een gebouw wilde uitdrukken (Triangular Lodge in Rushton). Maar de hoogtijperiode voor follies lag hier tussen 1730 en 1820, toen de uitvinding van de Engelse landschapstuin aanleiding vormde tot een hausse van neo-Renaissancistische tuintempels, grotto's en watervallen, die in de handen van navolgers al snel uitdijden tot niet helemaal goed begrepen of overdreven versieringen met het esthetische gehalte - toen - van een tuinkabouter nu. Meulenkamp en Headley wijzen erop dat veel van die kopieën naar een klassiek origineel, voor zover nog bestaand, er door de industriële vervuiling van de laatste twee eeuwen veel "antieker' zijn gaan uitzien dan het klassieke voorbeeld waarnaar ze gemaakt zijn en ook dan ze op grond van hun ouderdom zouden verdienen.

Op het hoogtepunt van de folly-zotheid was het niet ongewoon voor rijke grootgrondbezitters om in hun tuin Arcadia te herscheppen, met een echte kluizenaar, in een hut. Tempels, obelisken, quasi-abdijen, -paleizen, -pagodes en (graf-)monumenten herinnerden aan geliefde personen, of aan een hond, een varken of een paard. Befaamde architecten uit de achttiende en negentiende eeuw - onder wie beroemdheden als Soane, Vanbrugh en Hawksmoor - gaven zich met meer of minder enthousiasme over aan het ontwerpen van de excentriekste bouwwerken.

Wim Meulenkamp zegt dat hij in het onderwerp follies geïnteresseerd raakte tijdens zijn studie en afstudeerde op een scriptie over het onderwerp. Het contact met Britse folly-liefhebbers werd pas gelegd, nadat hij in de wachtkamer van de tandarts een vier jaar oude Country Life had zitten bestuderen. Daarin vroeg Headley om informatie over follies. Het resultaat van de kennismaking was het besluit om samen het boek te produceren, dat Headley al zo lang had willen schrijven.

Het feit dat de Nederlander geen strooien hoed draagt en zijn kilt heeft thuisgelaten, betekent kennelijk niet dat hij het onderwerp minder hart toedraagt dan de tweehonderd zielen die zich verdringen om de taart. In voormalig Oost-Duitsland, weet hij inmiddels uit eigen ervaring, zijn schitterende voorbeelden van verwaarloosde follies te vinden. De dwaasbouwsels van Ierland moeten nodig in kaart worden gebracht. En in Engeland zelf vallen er nog verhalen te ontdekken, getuige zijn recente verslag** over de waanzinnige landheer van Tong Castle, George Durant. Hij bouwde tenminste vijftig follies op zijn landgoed, met als gevolg dat “Tong in haar hoogtijdagen leek op een lunapark dat in aanvaring was gekomen met een krankzinnigengesticht”. Durant terroriseerde zijn gezin, hoereerde met elke lijfeigene die hij te pakken kon krijgen, zag niet tegen een moord op en vierde elke gebeurtenis van enige betekenis in zijn leven met een nieuw bouwwerk van onduidelijke symboliek. Spil van haat en geweld binnen de familie werd het Divorce Monument, het bouwwerk dat het beëindigen van het huwelijk met mevrouw Durant en de geringe hoogte van de alimentatie celebreerde. Toen Durant eindelijk stierf (in 1844) sprongen de twee zoons die hem met moeite hadden overleefd uitgelaten op hun paard en schreeuwden het uit tegen de dorpsbewoners. “The old man is dead at last”. En het hele dorp liep uit om om middernacht collectief en aangevoerd door de twee zoons met behulp van twee vaatjes kruit uit het kasteel zelf en met een enorme, bevredigende klap het monument-voor-de-echtscheiding op te blazen. Zodat de definitie van folly die hierboven wordt gehanteerd ook al onvolmaakt is, want er zijn ook follies met alleen maar een verhaal, waar geen stukje van over is.

- Gwyn Headley & Wim Meulenkamp, Follies. A Guide to Rogue Architecture in England, Scotland & Wales. Uitg. Jonathan Cape. Prijs ƒ 44,45.

-- Wim Meulenkamp. Dead funny: George Durant en de waanzin. Maatstaf nr 12, 1990.