CDA en VVD blokkeren wettelijke regeling klachtrecht

DEN HAAG, 4 SEPT. Na een hele dag scherp debatteren is de regering er gisteren niet in geslaagd de CDA-fractie ervan te overtuigen dat een wettelijke regeling van individuele klachtrecht voor werknemers nuttig en noodzakelijk is.

CDA en VVD, die samen een Kamermeerderheid vormen, zullen volgende week tegen het wetsvoorstel stemmen, als het tenminste niet door de regering wordt ingetrokken of de stemming wordt uitsteld. Het gevolg van gisteren is in ieder geval dat de CDA-fractie de eigen CDA-minister De Vries (sociale zaken) een nederlaag heeft bezorgd. Want het is uitermate onwaarschijnlijk dat het klachtrecht, waarover al decennialang wordt gediscussieerd, nog tijdens deze kabinetsperiode wordt geregeld, wat de bewindsman zo graag wilde.

Zó hoog liepen de gemoederen tussen CDA en regering op, dat aan het einde van het debat PvdA-staatssecretaris A. Kosto (justitie) suggereerde dat de CDA-fractie met haar verzet tegen deze eenvoudige wettelijk regeling bezig was een lange traditie van sociale wetgeving af te breken. Toen CDA-woordvoerder P.J. Biesheuvel hierop verontwaardigd reageerde, zei Kosto sussend dat hij geen “boze intentie” bij de coalitiegenoot vermoedde. Maar hij hield wel vol dat de logische consequentie van de CDA-opstelling toch kon zijn dat in de toekomst “de bijl aan de wortel van het arbeidsrecht” zou worden gelegd. Als het CDA immers geen nadere wettelijke precisering van "goed werkgeverschap' wenste in de vorm van een klachtrecht, waarom zouden de christen-democraten dan wel andere nadere omschrijvingen daarvan wettelijk willen regelen, redeneerde Kosto. “Misschien kan dan alles over arbeidsrecht wel uit het burgelijk wetboek.” PvdA-Kamerlid Middel verweet CDA en VVD alleen maar het werkgeversbelang te behartigen.

Het verzet van Biesheuvel was gebaseerd op de stellingname dat een regeling van het klachtrecht typisch een zaak is van de werkgevers en werknemers. Als zij er, ondanks een aanbeveling van de Stichting van de Arbeid, in CAO-onderhandelingen weinig haast mee maken, dan kan hij “geen geweldige behoefte aan een regeling constateren”. “Pas wanneer er een noodtoestand rond het klachtrecht zou ontstaan”, is volgens Biesheuvel een wettelijke regeling denkbaar.

Minister De Vries probeerde zijn partijgenoot te overtuigen met een betoog dat er bij het klachtrecht sprake is van een “grijs gebied tussen wat de overheid moet doen en wat de sociale partners zelf moeten richten”. De meerwaarde van een wettelijke fundering van het recht van de werknemer op een schriftelijk en uitvoerig antwoord van zijn werkgever als hij een klacht indient, is volgens De Vries gelegen in de mogelijkheid al in een vroeg stadium conflicten in der minne te kunnen schikken. Maar Biesheuvel hield voet bij stuk. Zó scherp was de tegenstelling, dat De Vries er - enigszins tot verrassing van Biesheuvel - van afzag het wetsontwerp aan te houden zodat het niet direct volgende week al in stemming hoeft te worden gebracht. De Vries zei achteraf niet in te zien hoe de CDA-fractie ooit nog van gedachte zou kunnen veranderen.