Brahms klinkt als glas zo helder op Utrechts Festival

Concerten: Joaqun Martnez de la Roca, Los Desagravios De Troya door Al Ayre Espanõl o.l.v. Eduardo López Banzo. Vocale solisten: Martha Almajáno, Isabel Alvarez, Xenia Meijer, Paolo Costa, José Antonio Carril.

Brahms, Serenade nr. 1, opus 11. door Schönbrunn Nonet. Johann Joseph Fux: La Deposizione Dalla Croce door Wiener Akademie o.l.v. Martin Haselböck m.m.v. Dorothea Röschmann, Soile Isokoski, Derek Lee Ragin, Helmut Wildhaber, Franz-Josef Selig. (Herhaling: 4/9). Gehoord: 2 en 3/9, Vredenburg, Geertekerk, Augustinuskerk, Utrecht.

Het Holland Festival Oude Muziek in Utrecht dwong dit jaar onze klankvoorstelling van Brahms' instrumentale muziek herzien. Het Schönbrunn Nonet, voor deze gelegenheid samengesteld uit de strijkers van het Schönbrunn Ensemble en blazers van het Biedermeier Quintet, speelde Brahms' Eerste serenade in een reconstructie van de oorspronkelijke versie. Over de waarde van de reconstructie voor nonetbezetting valt te twisten, immers binnen één jaar werkte de componist het stuk om voor orkest.

De uitvoering op authentieke instrumenten echter was een openbaring. Terwijl we bij Brahms gewend zijn aan een verzadigde klank die altijd dreigt dicht te slibben was in deze versie het hele bouwwerk zo doorzichtig als glas. Tegenover een klein verlies aan persoonlijke zeggingskracht stond een grote winst aan pregnantie.

Ook op het gebied van het onbekende repertoire was er nieuws. In een geënsceneerd oratorium van Johann Joseph Fux bleek de confrontatie van 18de eeuwse muziek uit Wenen met 19de eeuwse entourage van de Utrechtse Augustinuskerk een trouvaille. Het neo-barokke kerkinterieur werd een theater waarin de geschilderde slotfase van het lijdensverhaal, de "kruiswegstatie", evenals de levensgrote heiligenbeelden samen met de gekostumeerde zangers een rol speelden. Het publiek zat midden in een tot leven gekomen Kerststal, of beter: een Paasstal. Want niet de geboorte van Christus maar de kruisafname was hier aan de orde.

Grote indruk maakte het eerste gedeelte waarin het orkest van de Wiener Akademie niet alleen historisch verantwoord maar vooral met vervoering de dramatische handeling illustreerde, en de heilige hoofdpersonen rond het kruis bijeen waren als in een sacra conversazione van de Venetiaanse schilder Giovanni Bellini. De retorische gebaren van de zangers waren ooit voor iedere gelovige zo klaar als een klontje. Voor 20ste eeuwse heidenen vormen deze gebaren weliswaar volstrekte geheimtaal, maar de muziek bracht de gestolde retoriek tot leven en de gekunstelde kronkels waarin Maria zich opstelde werden plotseling een voor ons begrijpelijke uiting van smart.

Ernstig keken de sober gebarende heiligenbeelden neer op fraai op elkaar afgestemd geheel van indrukwekkende vocale en instrumentale prestaties, aankleding en regie. In werkelijkheid berustte dat op een gelukkig toeval, want de Duitse regisseuse was niet voorbereid op deze unieke lokatie. De produktie die enkele dagen eerder in het zwaar geteisterde Kroatië was te zien, werd met te krappe repetitietijd overgeplant naar Utrecht. Jammer was dat er in het tweede deel van Fux' oratorium wat mis ging met de belichting en de slotfase een minder sterke indruk maakte.

Ook bij de uitvoering van het Spaanse theaterstuk Het Ontzet van Troje van Joaqun Martnez de la Roca door het Ensemble Al Ayre Espanõl was men wat nonchalant geweest met de geboden mogelijkheden. Een concertuitvoering van een 18de eeuws werk dat het moet hebben van veel visuele afleiding kan nu eenmaal niet een hele avond boeien. De mallotige tekst, toegesneden op de geboorte van een nieuwe spruit in het koningshuis Bourbon gaf weliswaar aanleiding tot levendige en feestelijke muziek, op hoog niveau uitgevoerd door het Spaanse ensemble en zangers van topklasse. Toch bleek dit alles te mager door de afwezigheid van enig visueel vertier.