Arabieren hebben genoeg van mooie woorden Israel; "Diepe kloof' blijft bestaan na overleg in Washington

WASHINGTON, 4 SEPT. Geen mooie woorden, maar daden. Met die eis en boodschap aan het adres van Israel sloten gisteren de Arabische deelnemers twee weken van vredesonderhandelingen af.

De Libanezen, die onder vier ogen toegeven dat zij door de steeds grotere onenigheid in hun land helemaal geen poot meer hebben om op te staan, deden formeel het zwijgen ertoe. De delegaties van Syrië, Jordanië en de Palestijnen maakten daarentegen publiekelijk de balans op - en hun optelsom wees geen positief saldo aan. Geen van hen had met de Israelische delegatie overeenstemming bereikt over een agenda, die bepaalt over welke onderwerpen de partijen gaan onderhandelen. En allen spraken over een nog steeds bestaande “diepe kloof” wat betreft de ideeën over de agenda.

Zo vertelde de Syrische delegatieleider Mowaffak Allaf dat “de enige belangrijke, positieve ontwikkeling deze week van Syrische kant kwam (...) een uitgebalanceerd document waarin alle essentiële elementen van een alomvattende, rechtvaardige en permanente oplossing vermeld staan”.

Getrouw aan de idee dat Syrië de hoeder is van alle Arabische waarden, maakte Allaf duidelijk dat "alomvattend' niet uitsluitend geldt voor Israels totale terugtrekking uit de Golan, maar uit alle in 1967 veroverde gebieden. Bovendien stelde hij dat de door Israel gewenste "normalisatie' van de betrekkingen - inclusief het vestigen van ambassades en vrij grensverkeer - slechts ná vrede en niet samen met het sluiten van vrede tot stand kan komen. Hij zag geen verschil in het door het Syrische document gebruikte woord "vredesregeling' en het door Israel gewenste woord 'vredesverdrag', dat een meer specifiek en bilateraal karakter heeft.

De Arabische delegaties, die dagelijks contact met elkaar hebben om de stand van zaken bij te houden en hun standpunten zoveel mogelijk gelijk te schakelen, stelden eensgezind hoe onnodig zij het door Israel voorgestelde reces van tien dagen vinden. Maar zij zorgden er angstvallig voor niet al te zuur voor de dag te komen, want dat hadden de Amerikanen hun op het hart gedrukt. Dus zeiden zij allen vol goede hoop te zijn dat de Israelische delegatie over tien dagen met nieuwe ideeën en andere opdrachten naar Washington terugkeert.

Met name de Palestijnen, die de afgelopen dagen een zeer harde toon hadden aangeslagen, kwamen wat zachtmoediger voor de dag - alweer op dringend verzoek van de Amerikanen. Hanan Ashrawi, hun woordvoerster, vertelde dat de eerste onderhandelingsweek grote zorgen en spanningen had veroorzaakt omdat Israel inhoudelijk met dezelfde standpunten kwam als voorheen, alleen nu beter verpakt. Bovendien had de Israelische delegatie welbewust een aantal centrale kwesties buiten beschouwing willen laten. Maar dankzij het ingrijpen van de Palestijnse delegatie was er de tweede week een verandering opgetreden. De documenten die de Palestijnen hadden ingebracht, hadden namelijk bij de Israelische delegatie gezorgd voor “beginnende aanwijzingen dat zij zich ergens toe willen verbinden”. Er was in de onderhandelingen zelfs sprake van “enige vooruitgang”.

Achter haar verrassend optimistische opmerkingen kunnen grote vraagtekens worden gezet. Want een niet gering aantal punten uit bij voorbeeld de door de Palestijnen voorgestelde "Kaderovereenkomst inzake het Palestijnse Zelfbestuur tijdens de Overgangsperiode' zijn voor Israel al bij voorbaat totaal onaanvaardbaar. Niet voor niets gaven premier Rabin en minister van buitenlandse zaken Peres de afgelopen dagen lucht aan hun groeiende ergernis en frustratie over de onderhandelingstactiek van de Palestijnen. De Palestijnse Kaderovereenkomst stelt voor: Alle Arabische inwoners van de bezette gebieden (met inbegrip van de gevangenen die moeten worden vrijgelaten) dienen aan de verkiezingen deel te nemen. De Palestijnen die verdreven of verbannen werden, alsmede hun nazaten, moeten naar de bezette gebieden terugkeren om zich van hun kiesplicht te kwijten. Het Palestijnse bestuur strekt zich uit over al het gebied dat door Israel in 1967 werd veroverd (met inbegrip van oost-Jeruzalem), alsmede over al het water, alle natuurlijke rijkdommen en alle toegangswegen naar de bezette gebieden. De bouw van alle joodse nederzettingen moet onmiddellijk worden stopgezet en de joodse kolonisten dienen zich in de periode van Palestijns zelfbestuur aan de Palestijnse wetten te houden. De binnenlandse veiligheid in de bezette gebieden is een zaak van de Palestijnse autoriteiten. De controle op de naleving van het akkoord over Palestijns interim zelfbestuur komt in handen van een internationale commissie. Daarin zijn vertegenwoordigd de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad van de VN (de VS, Rusland, China, Engeland en Frankrijk), alsmede Egypte, Syrië, Jordanië en Israel. De partijen verplichten zich binnen drie maanden tot overeenstemming te komen over het Palestijnse interim-zelfbestuur, en met de onderhandelingen over de uiteindelijke status van de bezette gebieden vóór 30 oktober 1994 te beginnen - het laatste conform de uitnodigingsbrieven aan de deelnemende partijen voor de Vredesconferentie van Madrid vorig jaar oktober.

Israelische zegslieden, die niet genoemd wilden worden, waren furieus. Zij zeiden dat de onderhandelingen wel eens heel lang kunnen duren als de Palestijnen met dit soort maximalistische en volstrekt onhaalbare ideeën blijven komen. En zij waarschuwden dat de Palestijnen geen soepeler onderhandelingspartner aan Israelische kant kunnen krijgen dan de regering-Rabin. “Als deze regering niet met de Palestijnen tot een akkoord kan komen, zullen de Palestijnen nog jaren in de ellende blijven. Want ná een mislukking van deze regering zal de politieke bereidheid in Israel om zaken met de Palestijnen te doen als een pudding ineen zakken”, zei één van hen. Hij vermoedde dat het optimisme van Hanan Ashrawi gespeeld en een tactische manoevre was. “Over twee weken zal zij zeggen hoe diep teleurgesteld de Palestijnen zijn over de starre Israelische houding. Wedden?”

Het is heel wel mogelijk dat hij zijn weddenschap wint. Want na haar eerste optimistische opmerkingen was de schets die Hanan Ashrawi gisteren gaf over het onderhandelingsklimaat bepaald niet opwekkend. Ze zei dat de kwestie van de Palestijnse jurist Raja Shehadeh nog steeds niet is opgelost. De Palestijnse delegatie wilde hem woensdag als getuige-deskundige - en niet als delegatielid - in de onderhandelingskamer uitnodigen om een aantal juridische aspecten van de vier door de Palestijnen ingediende voorstellen toe te lichten. De Israeliërs weigerden dat omdat Shehadeh volgens zijn identiteitskaart in Jeruzalem woont en Jeruzalemse Palestijnen volgens de vorig jaar gemaakte afspraken van de onderhandelingen uitgesloten zijn.

Maar de Palestijnen stellen zich op het standpunt dat zij elke deskundige die ze maar willen, ook al komt hij uit China, kunnen uitnodigen, zolang hij maar niet als delegatielid optreedt. “Wij zeiden”, aldus Asharawi, “dat als de Israeliërs serieus op basis van gelijkheid willen onderhandelen, zij niet kunnen beslissen welke Palestijnse deskundigen al dan niet aanvaardbaar zijn, omdat het enige criterium voor hun komst hun vaardigheden zijn en de behoefte daaraan.”

Ze dreef de spot met de weigering van de Israelische delegatie om met Palestijnen uit Jeruzalem zelfs maar voor de Amerikaanse televisie te praten. Dat was net zo belachelijk als wanneer zij zouden weigeren met iemand te onderhandelen die oorspronkelijk uit Haifa of uit Jaffa kwam. Daarmee wilden de Palestijnen toch ook niet aangeven zij die twee steden voor zich opeisten? “Laat mij U eraan herinneren dat wij nooit bezwaren aantekenden tegen enig deskundige die zij naar de onderhandelingskamer brachten. En zij brachten daar een paar maanden door om ons de les te lezen, zelfs niet om te onderhandelen. Die deskundigen moesten ons onderwijzen. Wij wisten toen dat het een truc was om tijd te verkwisten (...)”

Hanan Ashrawi noemde de uitspraak van premier Rabin dat de hele Gazastrook, wat hem betreft, in de zee kan zakken, racistisch. “Die uitspraak geeft een alarmerende geestesgesteldheid weer en is niet in overeenstemming met het vredesproces en met enigerlei poging tot verzoening. Als enig Palestijn zo'n uitspraak had gedaan, was er een internationale schreeuw van verontwaardiging gekomen. Ik ben verbaasd dat de Israeliërs met dergelijke schandelijke uitlatingen uit de voeten kunnen en dat niemand kritisch onderzoekt wat zij eigenlijk zeggen.”. Maar zij vergat dat Rabin met die grove en tactloze uitspraak intussen wel in ijltempo de Israelische bevolking aan het verstand probeert te brengen dat het Likud-concept van Eretz Jisraeel onhaalbaar en desastreus is.

Want in feite verwoordt Hanan Ashrawi de Palestijnse realiteit en de mateloze woede van de Palestijnen. Dus maakt zij dankbaar gebruik van elke gelegenheid om de morele superioriteit van de Palestijnen en de morele inferioriteit van de Israeliërs te onderstrepen. Reagerend op de berichten van Israelische zijde dat de Palestijnse onderhandelingsdelegatie ondeskundig, onderling verdeeld en weinig besluitvaardig zou zijn, noemde zij dat “aanvallen op individuele personen (...) een teken van politiek en waarschijnlijk moreel bankroet”.

De verhalen over een spoedige verzoening uit eigen vrije wil tussen Palestijnen en Israeliërs moeten dan ook met vele korrels zout worden genomen. Keer op keer wordt de theoretische bereidheid van de verzoeningsgezinden aan beide kanten om een politieke, maar liefdeloze LAT-relatie aan te knopen, overspoeld door voortdurend opkomende gevoelens van woede, argwaan en verbittering, gemengd met minachting voor de ander. Pas als men uit eigenbelang tot politieke concessies bereid of gedwongen is, willen die gevoelens wel eens insluimeren. Met dat enige positieve vooruitzicht worden over tien dagen de onderhandelingen hervat.