Aan daktuinen heeft Duitsland niets; Tentoonstelling over traditionele bouwkunst in Frankfurt

Wie de handboeken over de architectuur van deze eeuw opslaat, krijgt de indruk dat alleen het Nieuwe Bouwen er echt toe doet; het werk van traditionalistische architecten wordt weinig gewaardeerd. Als het aan museumdirecteur Vittorio Lampugnani ligt, heeft dit beeld van de 20ste-eeuwse bouwkunst zijn langste tijd gehad. Met een tentoonstelling in het Deutsche Architektur Museum in Frankfurt wil hij de moderne architectuur- geschiedenis herschrijven. “Het puntdak is ook modern, is de boodschap.”

Tentoonstelling: Moderne Architektur in Deutschland 1900 bis 1950. Reform und Tradition. In: Das Deutsche Architektur Museum, Schaumankai 43. Di t/m zo 10-17u, wo 10-20u, ma gesloten. Prijs catalogus (344 blz.): DM 58,-

Iedere architectuurtoerist gaat in Stuttgart naar de Weissenhofsiedlung. Er zijn dan ook weinig plekken op aarde waar op zo'n klein gebied zoveel beroemde architecten hebben gebouwd. Mies van der Rohe, Le Corbusier, Walter Gropius, Bruno Taut, J.J.P. Oud, Mart Stam - iedereen die in 1927 iets in de modernistische architectuur had te betekenen, was door de Duitse Werkbund gevraagd een eengezinswoning, een rijtje huizen of zelfs een heel appartementenblok te bouwen. De Weissenhofsiedlung liet de wereld zien hoe er volgens de modernisten gewoond moest worden: op buizenmeubelen in rationele, meestal wit gestucte huizen met platte daken, daktuinen en strookramen.

Bijna niemand - ik ook niet, moet ik eerlijkheidshalve zeggen - neemt de moeite om vijf minuten verder te lopen om de Kochenhofsiedlung te bezoeken. Deze Siedlung, gebouwd onder leiding van de traditionalistische architecten Paul Bonatz en Paul Schmitthenner, bestaat uit 24 huizen met traditionele puntdaken. Ze zijn niet gemaakt van beton, staal en glas, maar van hout, het eeuwenoude Duitse bouwmateriaal.

Het toeristengedrag in Stuttgart is tekenend voor de waardering van het traditionalisme. De architectuurgeschiedenis van de twintigste eeuw is de geschiedenis van de avant-gardes, beweert de Italiaan Vittorio Magnano Lampugnani, sinds 1990 directeur van het Deutsche Architektur Museum in Frankfurt. En inderdaad, wie de handboeken over de architectuur van deze eeuw opslaat, krijgt de indruk dat voor de Tweede Wereldoorlog alleen het Nieuwe Bouwen er echt toe doet. De namen van traditionalisten als Tessenow, Behrens, Poelzig en Muthesius worden meestal wel genoemd, maar dan alleen als scheppers van werk dat de kiem van het modernisme in zich draagt.

Als het aan Lampugnani ligt, heeft dit beeld van de twintigste-eeuwse bouwkunst zijn langste tijd gehad. Hij heeft de ambitie de Duitse (en daarmee de Europese) architectuurgeschiedenis te herschrijven. Dit wil hij doen met drie grote tentoonstellingen die het Duitse architectuurmuseum onder de verzamelnaam Moderne Architekur in Deutschland 1900 bis 1950 de komende jaren brengt. De eerste van deze exposities, Reform und Tradition, neemt nu het hele museum in beslag en behandelt de traditionalistische architectuur. De avant-garde (het expressionisme en het Nieuwe Bouwen) is het onderwerp van het tweede deel van de trilogie, het laatste deel zal Monument und Macht heten en vooral aan de nazi-bouwkunst zijn gewijd.

Spaarzaam

Nu in Duitsland de avant-garde niet meer actueel is heeft het traditionalisme recht op zijn eigen plaats in de geschiedenis, schrijft Lampugnani in het voorwoord van de catalogus. En niet als voorloper van het modernisme, maar als volwaardige "moderne' architectuurstroming. Anders dan bij voorbeeld reactionaire Engelse architecten als Quinlan Terry is Lampugnani geen tegenstander van "die Moderne', waarvoor ik helaas geen beter woord weet dan "het moderne'. Alleen is "het moderne' volgens hem meer dan het Bauhaus en Le Corbusier. Het "moderne' is verbonden met de "sociale ideologie die de aarde onder een toenemend aantal mensen zo rechtvaardig mogelijk wil verdelen' vindt hij, "en met de noodzaak om spaarzaam en zinvol om te gaan met de natuurlijke bronnen.' En het heeft ten slotte ook te maken met het streven naar eenvoud.

Rechtvaardigheid, ecologie en "edele eenvoud' - Lampugani's definitie van "het moderne' is niet opzienbarend, maar wat hij met Reform und Tradition overtuigend laat zien is dat ook het Duitse traditionalisme volledig onder deze noemer valt. Het puntdak is ook modern, is de boodschap van de tentoonstelling.

De expositie begint met de oprichting van de Deutsche Bund Heimatschutz om het verzet tegen een dam in de Rijn bij Laufenburg te organiseren. Het verzet was vergeefs maar leidde onder Duitse intellectuelen wel tot een groter bewustzijn van de bedreigingen van de industrialisatie voor het Duitse landschap, dorpen en steden. De traditionalistische architecten begonnen zich zorgen te maken over de onhygiënische, overvolle huurkazernes in de steden en het morele verval van de bewoners. Ook de "protserige' neostijlen uit de tweede helft van de negentiende waren hun een doorn in het oog. De architectuur van de nieuwe tijd moest aansluiten op de traditie van het eenvoudige classicisme uit de Biedermeiertijd en op die van het eerlijke Engelse landhuis, in Duitsland geïntroduceerd door Hermann Muthesius, een van de oprichters van de Werkbund.

Dit klinkt allemaal niet zo vreselijk "modern', maar wie de tentoonstelling heeft gezien en de veertien artikelen in de catalogus gelezen, moet toegeven dat veel van wat op het conto van het Nieuwe Bouwen wordt geschreven ook, en meestal al eerder, door de traditionalisten werd toegepast. Zo hield Heinrich Tessenow zich in al in 1905 bezig met de "Wohnung für das Existenzminimum', vijftien jaar voordat de Nieuwe Bouwers zich hierop zouden werpen. En Paul Schmitthenner ontwierp al in 1914 voor arbeiders van een munitiefabriek de Gartenstadt Staaken in Berlijn die zich gemakkelijk kan meten met de veel beroemdere Berlijnse Siedlungen van Bruno Taut uit de tweede helft van de jaren twintig. Ook "lucht, licht en groen' als beginselen bij de stedebouw zijn geen uitvindingen van het Nieuwe Bouwen: Fritz Schumacher, van 1909 tot 1933 hoofd van het "Hochbauwesen' in Hamburg, haalde al in 1913 in zijn ontwerpen voor nieuwe wijken het groen de stad in. De binnenhoven van de woningblokken bouwde hij niet vol, maar richtte hij in als tuinen en de blokken zette hij zo ver van elkaar dat alle woningen goed van licht werden voorzien.

Onspectaculair

Toch is het overdreven om het traditionalisme af te schilderen als een soort tweelingbroer van het Nieuwe Bouwen. Voor radicaal nieuwe vormen waar de Nieuwe Bouwers beroemd mee zouden worden deinsden de traditionalisten terug. Gebouwen moesten zich aanpassen aan de natuurlijke omgeving, het klimaat en de plaatselijke bouwtraditie, vonden zij. En dus liet Schmitthenner zich voor de gevels van de huizen in Staaken inspireren door die van het Holländische Viertel in het nabijgelegen Potsdam en vermeed Schumacher in Hamburg strokenbouw, zodat de huizenblokken traditionele straten bleven vormen.

Eenvoud en bescheidenheid zijn de sleutelwoorden van het traditionalisme. Soms bekroop me tijdens het zien van al die tekeningen, foto's, maquettes en boeken een verlangen naar het grote gebaar van iemand als Le Corbusier. Met uitzondering van Max Bergs nooit uitgevoerde ontwerpen voor wolkenkrabbers in Breslau gaat het in Frankfurt om uitgesproken onspectaculaire architectuur. De meeste tekeningen staan in het teken van Friedrich Ostendorfs uitspraak uit 1913: "Ontwerpen is het vinden van de eenvoudigste verschijningsvorm voor een bouwprogramma'.

Het traditionalisme is architectuur die het moet hebben van de zorgvuldig vormgegeven details: van elk raam, soms zelfs van elk stukje muur, is precies aangegeven hoe die gemaakt moeten worden. Glaswanden die "modern' en functioneel ogen, maar 's winters en 's zomers eigenlijk alleen overlast bezorgen, ontbreken, evenals daktuinen, waaraan de bewoners in het Duitse klimaat het grootste gedeelte van het jaar niets hebben. Niet de Nieuwe Bouwers, maar de traditionalisten waren de echte functionalisten, begin ik na het zien van Reform und Tradition te geloven.

De januskop van het traditionalisme leidt nog steeds tot tegengestelde reacties. Omschreef Max van Rooy in deze krant Heinrich Tessenow als de "ontwerper van het elementaire Spitsburgerhuis', de zich architect noemende bierbrouwer in ruste Alfred Heineken vond een paar jaar geleden zijn door Tessenow ontworpen villa in St. Moritz juist een "bunker', een typisch spitsburgerlijk verwijt dat gewoonlijk modernistische architectuur treft. Hij liet de schepping van Tessenow, die toch al weinig heeft gebouwd, zonder scrupules afbreken. Dat dit hem zonder al te veel protesten uit te lokken lukte, is weer tekenend voor de waardering van het traditionalisme.

Het onopvallende karakter van het traditionalisme is ongetwijfeld een van de oorzaken voor de geringe aandacht die de architectuurhistorici tot nu toe aan het traditionalisme hebben geschonken. In zijn voorwoord van de catalogus noemt Lampugnani er nog een paar: de avantgardisten baarden met hun talloze polemische manifesten het meeste opzien in de publiciteit en de eerste geschiedschrijvers van de moderne architectuur waren aanhangers van het Nieuwe Bouwen. Dit is allemaal waar, maar de belangrijkste oorzaak van het gebrek aan waardering voor het traditionalisme laat hij ongenoemd: de flirt van sommige traditionalisten met het nationaal-socialisme. Deze kwestie duikt in de tentoonstelling op bij de presentatie van de Kochenhofsiedlung.

Afschuw

In de tweede helft van de jaren twintig zagen verschillende traditionalisten het succes van het ontraditionele Nieuwe Bouwen met afschuw aan, en al bij de opening van de "internationale' Weissenhofsiedlung in 1927 kondigden Bonatz en Schmitthenner de bouw van een "Duitse' tegenhanger aan. Het zou meer dan zes jaar duren voor ze hun anti-Weissenhofsiedlung wisten te realiseren en inmiddels had Hitler de macht overgenomen. “Im Jahre der nationalen Revolution (-) wurde diese Siedlung aus deutschem Holz erbaut”, stond boven de deur van een van de huizen van de Kochenhofsiedlung. En alsof dit nog niet duidelijk genoeg was, verklaarde Schmitthenner bij de opening plechtig: “De gebouwen van het Nieuwe Bouwen met hun bloedeloze en schijnbare machinale zuiverheid, waarbij de wil tot zakelijkheid wordt geprostitueerd, zullen in het nieuwe rijk niet meer kunnen ontstaan.”

Van traditionalisme naar een rotsvast geloof in de superioriteit van het "Duitse bouwen' is niet zo'n grote stap en ook de kloof tussen "Heimatschutz' en "Blut und Boden' is niet onoverbrugbaar. Paul Schulze Naumburg ontwikkelde zich al voor 1933 tot de belangrijkste Blut und Boden-ideoloog die tekeer ging tegen alles wat naar "ontaard modernisme' zweemde. En al koos Hitler in 1934 niet voor het traditionalisme als staatsarchitectuur maar voor het "kale' classicisme van architecten als Albert Speer en Paul Ludwig Troost, Bonatz en Schmitthenner hoefden, anders dan Mies van der Rohe en Gropius, niet te emigreren. Schmitthenner kon hoogleraar blijven aan de Technische Universiteit van Stuttgart en Bonatz mocht bruggen, viaducten en wegen ontwerpen voor de Reichsautobahn, waarvan er vele op de tentoonstelling zijn te zien.

De meeste andere traditionalisten moesten niet veel hebben van de nazi's, maar door Schmitthenner en Schulze Naumburg rook het traditionalisme na de oorlog toch te veel naar Blut und Boden. Daardoor moest het traditionalisme in Duitsland nog sneller het veld ruimen voor het Nieuwe Bouwen dan in Nederland en zelfs Engeland, schrijft Hartmut Frank in Heimatschutz und typologisches Entwerfen, zijn bijdrage aan de catalogus. “Naar de kwaliteiten van de Heimatschutz vroeg men na de oorlog wegens de liaison met de nazi's niet meer. Men kon er gemakkelijk een etiket op plakken en dat heeft het tot nu toe behouden”, beweert hij. Nu pas, bijna vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog, durft het Deutsche Architektur Museum een begin te maken met het veranderen van dit etiket.