Wonen volgens vrouwen

Intra Muros is in twee delen te zien bij Stichting Amazone, Singel 72, Amsterdam. Deel 1: t/m 16 sept. Deel 2: 25 sept t/m 14 okt. Daarna zal de tentoonstelling van 14 nov t/m 13 dec in zijn geheel te zien zijn in het Rijksmuseum Twente en van 14 mei t/m 12 juni in het Instituut voor Kunst-, Architectuurgeschiedenis en Archeologie.

“In uw keukentje is het onmogelijk een normaal 4-gaats gas- of kolenfornuis te plaatsen zonder dat aan de ene zijde het gebruik van de aanrecht met onderkastje onmogelijk wordt en aan de andere zijde het openen van de kelderdeur wordt belemmerd”, schrijft (interieur)architecte Margaret Staal-Kropholler in februari 1950. Zij is niet tevreden met de veranderingen die opdrachtgever ir. J.F.A. Alozerij van de gemeente Den Helder in haar woningplattegronden heeft aangebracht. Die houden namelijk te weinig rekening met het praktisch nut van de woningen. Ook het verplaatsen van de ligging van de kinderkamers van het oosten naar het westen is volgens Staal-Kropholler geen verbetering. “Kinderen kunnen des zomers avonds met zon in hun kamer niet tijdig gaan slapen.”

Tot 15 oktober is bij Stichting Amazone in Amsterdam de tentoonstelling Intra Muros te zien. De professionele bijdrage van twaalf vrouwen aan de Nederlandse interieurarchitectuur wordt in twee afzonderlijke tentoonstellingen belicht. Intra Muros deel 1 beslaat de periode vanaf de jaren twintig tot de jaren zeventig. Brieven, foto's, inrichtingsconcepten en woningplattegronden schetsen een - helaas beperkt - beeld van het werk van zes interieurarchitectes. Naast Staal-Kropholler zijn dat Ida Falkenberg-Liefrinck, Cora Nicola-Chaillet, Elsbeth Bout-van Blerkom, Lida Licht-Lankelma en Bé Niegeman-Brand. Met uitzondering van Bout-van Blerkom, allen vertegenwoordigsters van het Nieuwe Bouwen of interieurarchitectes die het ideeëngoed van de Stichting Goed Wonen (1946-1968) deelden.

De interieurarchitectes aan wie Amazone aandacht besteedt, zijn sterk beïnvloed door het Rationalisme en Functionalisme. Stromingen die zich in de jaren twintig en dertig afzetten tegen de "stijl-inrichting' die rond de eeuwwisseling in de betere kringen populair was. Woningen werden daarbij helemaal ingericht met reprodukties van 17de-eeuwse Oud-Hollandse of 18de-eeuwse Engelse Chippendale-, Sheraton-, Adam- of Queen Anne-meubelen. De zo ontstane stijlkamers dienden voor de bewoners als een decor, dat aan geromantiseerde, ver vervlogen tijden herinnerde. Maar de waardering van het esthetische element in het ontwerp ging ten koste van de doelmatigheid. De gebruiker moest zich naar het ontwerp voegen.

Het is juist de doelmatigheid die bij het Functionalisme en het Rationalisme in de interieurarchitectuur op de eerste plaats komt. Bij de inrichting van de damesopknapruimte in het Beurscafé (1939/1940) in Rotterdam doorbreekt Staal-Kropholler doelbewust de gangbare combinatie van spiegels boven de wasbakken. Je hebt geen spiegel nodig om je handen te wassen en geen wasbak om je haar te kammen. Door de uitgevallen haren kan het gootje alleen maar verstopt raken.

Ook Falkenberg-Liefrinck streeft doelmatige oplossingen na waarmee ze wil bereiken dat het gevoelsmatige als het ware de toetssteen wordt van het ontwerp. Een gewilde vormgeving, overdadige ornamentering, massieve crapots of fauteuils en slechte looproutes in de woning maken het werk van de huisvrouw onnodig zwaar. De oorspronkelijk voor Metz & Co ontworpen rotan-meubels van Falkenberg-Liefrinck waarbij de constructie duidelijk herkenbaar is, getuigen van begrip voor de dagelijkse beslommeringen van de huisvrouw. Zij zijn makkelijk verplaatsbaar en geven mede door de materiaalkeuze een open en ruimtelijke indruk.

Het nadeel van deze manier van inrichten was dat de "doorsnee burger' zijn oude vertrouwde gezelligheid niet meer in de woningen terug kon vinden; het ruimtelijk perspectief, de moderne stalenhuis of houten meubelen deden sterk aan de opstellingen in de fabriekshallen denken en werden als kil en onpersoonlijk ervaren. Een mooi voorbeeld hiervan is op de tentoonstelling te zien; de renovatie van het huis van de familie K. uit Hoogeveen die Nicola-Chaillet in 1959 uitvoerde. Van een bedompte in zichzelf gekeerde, bijna loodzware ruimte maakte Nicola-Chaillet er één die communiceeert met de buitenwereld. Dat deed zij door met grote ramen een overdadige lichtinval te creëren en door ervoor te zorgen dat de zichtlijnen niet door de (lichte) meubelstukken onderbroken werden.

“Het was de essentie dat we de mens als middelpunt wilden zien. Iedere persoon, elk mens. We hielpen denken bij het zelf doen, gewoon door er met elkaar over te praten. Je kunt niet zeggen zo en zo moet het, dit is de beste manier om gelukkig te worden.” Woninginrichting moest ook onder mensen met een kleine beurs een bewust proces worden en geen automatisme met als enige voorwaarde dat de aangeschafte huisraad paste.

Belangrijk neveneffect van dit bewustwordingsproces was dat de vrouw, bevrijd van haar dagelijkse beslommeringen, meer tijd zou hebben zichzelf te ontplooien. “De man werkte buitenshuis (...)”, aldus Lichtenberg-Lankelma in gesprek met kunsthistorica W. van Moorsel in 1988, “en had contacten met de maatschappij en alles, dus die zat goed. Die kinderen, nou, die kregen dan ook hun ruimte in huis en gingen naar school, dus dat zat ook goed. Maar die vrouw, die zat in huis. En als die dan niet een eigen plek heeft om iets anders te kunnen doen dan dat stomme kopjes wassen, dan komt zo'n vrouw ontzettend veel tekort”

Bij het zien van Intra Muros dringt zich welhaast vanzelfsprekend de vraag op naar de vormgeving van de tentoonstelling zelf. In dit geval lijkt het alsof de vorm en de klein bemeten ruimte een onoverkomelijke hindernis zijn geweest. Drie "en-suite' gelegen zaaltjes zijn door de cirkelvormige opstelling van de panelen verkleind. Het centrum van iedere cirkel wordt gevuld door een object van telkens twee ontwerpsters. De verkeerspaden - de binnenringen - zijn smal en het ruimtelijk perspectief dat door de open aaneengeschakelde zalen haast van 'nature' aanwezig is, verdwijnt.