Vissen in de derde wereldzee

Oceanografisch onderzoek is een kwestie van varen en monsters nemen. Routinewerk, maar onmisbaar voor een beter begrip van het waterleven; "Wij komen straks met informatie die misschien niet verbijsterend zal zijn, maar die je gewoon nodig hebt om visserijmodellen te maken'

De Tyro heeft pech. Sinds het onderzoeksschip van de Stichting Onderzoek der Zee (SOZ) in mei het Suezkanaal passeerde om de Indische Oceaan te gaan doorlichten, gaan er almaar dingen mis. In de Rode Zee bleef een drie ton kostend instrument op de zeebodem achter nadat een kabel was gebroken. In de haven van Mombasa, nog voor de eigenlijke expeditie was begonnen, kreeg de Tyro een zetje teveel van een sleper en sneed de gekartelde Keniaanse kade een paar gaten in de romp. Een paar dagen na dat voorval was de zoveelste elektriciteitsstoring de oorzaak van vier dagen oponthoud (de exploitatie van de Tyro kost een kleine 20.000 gulden per dag).

Eind juni maakte het schip op volle zee ineens slagzij. Metingen werden gestaakt, pas neergelaten apparatuur werd in allerijl van de oceaanbodem opgehaald - voor niets, want bij nader inzien bleek het schip niet zinkende. In juli is kapitein Jan de Jong gerepatrieerd in verband met nierstenen. Zijn vervanger is zijn gepensioneerde voorganger Leen Blok.

Tot april volgend jaar zal het schip in de Indische Oceaan onderzoek doen.

De expeditie, het "Indische Oceaan Programma', heeft zijn ontstaan te danken aan de Snellius-expeditie in de Indonesische wateren van acht jaar geleden. "Onderweg naar huis moest de Tyro door de Indische Oceaan. Daar deden de opvarenden wat onderzoek omdat ze er toch waren, en ze vonden zoveel interessants dat ze heel graag eens terug wilden,' aldus prof.dr. Carlo Heip, die het werk voor de kust van Kenia leidt.

"Toen we in de literatuur gingen nakijken wat er over de Indische Oceaan bekend is, schrokken we. Er is rond 1960 eens een expeditie geweest, maar daarna: niets. De meest fundamentele dingen zijn gewoon niet bekend, bijvoorbeeld wat er zit en wanneer het er zit. Aan de Indische Oceaan liggen alleen ontwikkelingslanden; dat zijn geen landen die oceanografisch onderzoek kunnen betalen. Wij komen straks met informatie die in wetenschappelijk opzicht misschien niet verbijsterend zal zijn, maar die je gewoon nodig hebt om visserijmodellen te maken.'

Carlo Heip is verbrand. Hij heeft te laat naar zijn zonnebrandcrème met beschermingsfactor 25 gegrepen. Gewoonlijk zit hij in Yerseke als directeur van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, voorheen het Delta Instituut. Op het ogenblik valt het met de zon en de hitte in feite nog mee; die zijn het ergst rond 21 september en 21 maart, als de zon recht boven de evenaar staat. Maar dan is de Tyro allang ergens anders in de Indische Oceaan, en zit Carlo Heip weer in Yerseke.

Noordoostmoesson

De seizoenen hebben alles te maken met het werk dat het komende jaar in het noordwestelijk deel van de Indische Oceaan wordt gedaan. Van november tot maart heerst de noordoostmoesson, aangezogen door de opstijgende warme lucht op het zuidelijk halfrond. Die noordoostelijke wind stuwt het zeewater langs de Somalische kust naar het zuiden. Ter hoogte van Kenia en Tanzania ontmoet dit water een noordwaartse stroming en samen koersen de watermassa's dan oostelijk, weg van Afrika. Voor de Keniaanse kust wordt daardoor koud oceaanwater uit de diepte gezogen. Dit water is zuurstofarm en voedselrijk, omdat alle afval van het zeeleven zich in de diepte ophoopt.

Van mei tot september is het zomer in het noorden en waait de wind dus uit zuidelijke richtingen. Het water gaat terug langs Somalië naar het noorden en zuigt warm water aan van het oppervlak van de oceaan. Dit water is zuurstofrijk en voedselarm. De opwaartse stroming met koud, voedselrijk en zuurstofarm water verplaatst zich naar het noorden van Somalië. Een van de belangrijkste vragen voor het Indische Oceaan Programma is, hoe het waterleven op die sterk wisselende omstandigheden reageert.

De Tyro is op 4 mei vanuit Den Helder vertrokken en op 12 juni in Mombasa aangekomen. Daar is op 18 juni de eigenlijke expeditie van start gegaan. De organiserende SOZ uit Den Haag heeft een programma samengesteld dat na een half jaar zichzelf min of meer herhaalt. De hele tocht duurt bijna een jaar. De meeste onderzoekers krijgen zo de kans om de twee seizoenen met elkaar te vergelijken.

In de eerste ronde gaat de reis naar achtereenvolgens Kenia (inmiddels achter de rug), de Somalische wateren, de Arabische Zee, de Seychellen en het zeegebied voor de kust van Pakistan. Kenia, Somalië en de Arabische Zee krijgen daarna een tweede beurt. Voor elke deelexpeditie is een apart programma met een eigen ploeg onderzoekers, alles bij elkaar zo'n 150 man. Ze zijn afkomstig van instituten uit negen verschillende landen; een grote meerderheid komt gewoon uit Nederland. De kosten van de expeditie bedragen 10,5 miljoen gulden. Salarissen van onderzoekers zijn daarin niet begrepen; die worden betaald door de instituten.

Aan dek van de Tyro is het een komen en gaan van machines die meestal sterk aan satellieten of maanlanders doen denken. Sommige worden voor enige tijd op de bodem geparkeerd; voor het verzamelen van een redelijke hoeveelheid sediment is al gauw een paar dagen nodig. Een boei met radarreflector of een nauwkeurige geografische positiebepaling dient dan om het ding terug te vinden. Door een geluidssignaal werpt de lander een paar gewichten af en komt dan vanzelf boven drijven. De duurste van allemaal, de benthic lander (bodemlander) van een half miljoen, is voor de zekerheid uitgerust met een gemproviseerd vlaggetje waarop de afzender staat vermeld. Of de eerlijke vinder een seintje wil geven. Andere apparaten nemen alleen een serie watermonsters of een hap uit de bodem en zijn binnen het uur weer terug. De doctoren en doctorandi verdringen zich dan rond de oogst om hun potjes en flesjes te vullen. Meestal is de avond tevoren al afgesproken wie wanneer aan de beurt is. Zo voorkom je conflicten.

Bij Kenia ligt de nadruk op biologisch onderzoek. Er worden metingen gedaan van het gehalte aan voedingsstoffen van het oceaanwater en de manier waarop dat van de diepte afhangt. De "primaire' produktiecapaciteit van het water wordt bepaald: hoeveel biomassa aan algen en plankton kan er in een bepaalde tijd ontstaan - het begin van de voedselketen. Sedimentvallen verzamelen wat er aan organisch afval op de zeebodem neerdwarrelt en allerlei apparaten nemen bodemmonsters om te zien wat daar aan dood en levend materiaal in zit. De kabels aan boord van de Tyro kunnen kilometers diep komen, dus er zijn voor het nemen van bodemmonsters nauwelijks beperkingen. Het zuurstofgebruik op de bodem, een maat voor de biologische activiteit, wordt gemeten. Er wordt geïnventariseerd wat er in de oceaan aan beesten te vinden is en op grote schaal worden prozasche oceanografische gegevens verzameld: richting en sterkte van zeestromingen, zoutgehalte en temperatuur in relatie tot diepte, enzovoorts.

Veel monsters worden ter plaatse aan een onderzoek onderworpen. De Tyro is beladen met containers en elke container bevat een airconditioned laboratorium. Het is een idee dat sinds 1976 wordt toegepast en nogal wat aandacht trok tijdens de Snelliusexpeditie. De laboratoria die tijdens een bepaald deel van de expeditie nodig zijn staan meestal aan dek. De andere blijven in het ruim of kunnen als dat zo uitkomt aan wal worden gestationeerd. Eenvoudige gegevens zoals concentraties voedingsstoffen kunnen bijna onmiddellijk beschikbaar zijn.

Tot in de mangrovebossen langs de Keniaanse kust zijn Nederlandse onderzoekers te vinden. De veronderstelling is dat er een sterke ecologische samenhang is tussen die vloedbossen en de oceaan: de mangrovebossen met hun beschermende begroeiing zouden als kraamkamer fungeren voor veel vissoorten.

Carlo Heip: "Het is een populaire theorie in de mariene ecologie dat de mangrove essentieel is voor de produktiviteit van kustgebieden. Dat zie je dikwijls in handboeken staan en iedereen citeert dat steeds, maar in feite is het nooit bewezen. Wij willen dat nu eens grondig nagaan.'

Gevraagd naar toepassingen van hun werk bij Kenia beginnen de meeste onderzoekers op de Tyro grif over visserij te praten. De redenering luidt dat met meer kennis van het ecologische raderwerk het mogelijk wordt op een meer rendabele en duurzame manier te vissen. Je kunt dan de tijd en plaats uitzoeken waar zonder schadelijke gevolgen het meest te halen valt. Ook kun je kwetsbare momenten en lokaties vermijden, bijvoorbeeld die waar de voortplanting plaatsvindt.

Een plausibele theorie, maar een die een overheid veronderstelt met meer feitelijk gezag dan de Keniaanse. Zoals bekend heeft die zelfs op het land niet alles wat er gebeurt helemaal in de hand (al komt Kenia er vergeleken met veel andere Afrikaanse landen niet slecht af). Wat de zee betreft, Kenia schijnt er een marinevaartuig op na te houden, maar noch op de visserij door de eigen bevolking noch op die door buitenlandse schepen wordt controle uitgeoefend. Een ecologisch uitgebalanceerde visserij in Kenia, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, is voor de komende decennia dan ook een illusie.

Schone referentieplek

Het Indische Oceaan Programma bestaat hoofdzakelijk uit fundamenteel, dat wil zeggen niet direct toepasbaar onderzoek, en zo erg is dat niet. Dr. Jan Everaarts (Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, Texel) doet er niet moeilijk over. Hij verzamelt wormen, garnalen en dergelijk gedierte uit bodemmonsters om ze te analyseren op gehaltes aan zware metalen en chloorkoolwaterstoffen, en op afwijkingen die daar het gevolg van kunnen zijn. Zulk onderzoek heeft hij al gedaan in Nederland, Mauretanië, Indonesië en Maleisië. In Kenia neemt hij een aantal vervuilde plekken en een schone referentieplek onder de loep. "De praktische betekenis kan zijn dat er bepaalde normen worden gesteld voor vreemde stoffen. Jammer genoeg is normstelling niet altijd op een lijn met wat onderzoekers vinden. Maar dan heb ik leuk onderzoek gedaan en je kunt er altijd bij denken dat je een steentje hebt bijgedragen tot de oplossing van het probleem van de vervuiling.'

Van meer direct belang is een ander aspect van de expeditie. Onder het motto "Partners in Science' heeft de Stichting Onderzoek der Zee samenwerkingssverbanden tot stand gebracht met Kenia en Pakistan. Die houden in dat onderzoekers uit die landen van het begin af aan bij de expeditie betrokken zijn geweest, zodat ze ook aan het bedenken en beoordelen van onderzoeksvoorstellen hebben kunnen meedoen. Kenianen en Pakistani varen mee in de omgeving van hun eigen land, om hun eigen onderzoek te doen. De Kenianen op de Tyro zijn zonder uitzondering enthousiast over deze kans om ervaring op te doen in het plannen van een expeditie en in het werken met westerse apparatuur en volgens westerse werkwijzen. Eén van hen: "Gewoonlijk kan ik in mijn eigen onderzoeksgebied maar een paar kilometer uit de kust komen, omdat wij geen schip als de Tyro hebben. De gegevens die ik altijd heb gemist kan ik nu krijgen.' Een ander: "Het kan wel honderd jaar duren voor Kenia zich een dergelijk vaartuig kan permitteren. Als je het zo bekijkt maken we nu een sprong van honderd jaar.' Dat hun eigen niveau niet in alle gevallen aan westerse maatstaven voldoet, daar maakt in het kader van de vriendschap en de kennisoverdracht niemand zich druk over. Op de vitale plaatsen zitten mensen met de juiste kwaliteiten.

Overigens komt de zestien jaar oude uitvinding van het gecontaineriseerde onderzoeksschip de SOZ nu goed van pas. Juist voor ontwikkelingslanden is het een pracht concept, luidt de boodschap. SOZ-directeur dr. Jan Stel: "Een land als Kenia hoeft geen schip van het formaat Tyro aan te schaffen. Ze kunnen het doen met een veel kleiner en goedkoper, regionaal opererend schip dat beheerd kan woren door een internationale organisatie. Daarbij hebben ze dan een aantal containers nodig met goed gekozen apparatuur, die afwisselend aan boord kunnen zijn. Zo wordt goed onderzoek doen veel goedkoper.'

"Partners in Science' heeft ook geleid tot een uitgebreide cursus oceanografie, in Mombasa gegeven door Nederlanders aan een groep mensen uit het onderzoeksgebied, tot de Seychellen toe. Het was zelfs de bedoeling dat er een speciale 4-daagse trainingscruise zou worden gevaren zodat ook deze groep aan de "state of the art' spulletjes op de Tyro zou kunnen ruiken. Maar door het gehannes in Mombasa met de kapotte schakelaar moest dit onderdeel worden afgelast. Misschien nog in november. Voor directeur Jan Stel zou de trainingstocht de eerste keer zijn geworden in tien jaar dat hij aan boord van "zijn' schip zou meevaren. Stel: "Ik probeer het maar niet meer. Het gaat toch steeds mis.'

Niet gelukt

Kennisoverdracht rekent de SOZ wel tot haar taken, maar ontwikkelingshulp niet. Tot verdriet van directeur Jan Stel is het tot nu toe niet gelukt een andere instantie de verantwoordelijkheid (en niet te vergeten de kosten) voor een voortzetting op lange termijn van "Partners in Science' te laten dragen. Bij het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking heeft de SOZ-directeur bot gevangen. Evengoed is de SOZ op de ingeslagen weg doorgegaan, mede omdat de bereidheid van Kenia om de Tyro toe te laten ervan afhing.

"Kenia' is inmiddels achter de rug. Er komt een tweede beurt in november. Intussen vaart de Tyro rond in het gebied bij de Somalische kust en het Arabische schiereiland. Ook daar is het thema het periodiek aan- en afwezig zijn van een opwaartse stroming en de manier waarop het leven in zee zich daaraan heeft aangepast. Vanaf half augustus vaart de Tyro tussen Djibouti en de Seychellen en daarna verder noordelijk, in de Arabische Zee tussen het Arabisch schiereiland en India. Daar wroet men vooral in de blubber op de oceaanbodem, het sediment. Dat sediment ontstaat door het neerdwarrelen van overblijfselen van zeebewoners: skeletten, uitwerpselen en dergelijke. Het sediment wordt jaar in jaar uit aangevuld en vormt zo een soort dagboek van de omstandigheden die door de eeuwen heen in zee hebben geheerst. In de eerste plaats verwachten de onderzoekers de effecten van de moesson erin terug te vinden: elk jaar een periode van uitbundige bloei door de opwaartse stroming van voedselrijk water, gevolgd door een jaargetijde van armoe. In de variaties van jaar tot jaar wordt informatie verwacht over klimaatsveranderingen die het ecosysteem in het water hebben benvloed. Zelf is het sediment ook een mogelijk belangrijke factor bij het al of niet veranderen van het klimaat: er wordt organisch afval, dus koolstof, in opgeslagen. Het is daarmee een soort afvoerput voor kooldioxyde, het broeikasgas. Daarnaast is het interessant dat in sediment met een hoog gehalte aan organische stof olie gevormd kan worden.

Op de Seychellen tenslotte werpt de expeditie zich op oceanische koraalriffen. Dr. Jaap van der Land, werkzaam bij het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie in Leiden is, behalve voorzitter van de wetenschappelijke commissie van de expeditie, leider van het onderzoek bij de Seychellen. "Oceanische riffen zijn heel bijzondere gebieden omdat ze niet benvloed worden door rivieren met hun sediment, of door vervuiling. Die bij de Seychellen zijn daarbij extra ongestoord omdat er in dat gebied geen tropische cyclonen voorkomen. Ze zijn bekend om hun grote rijkdom aan levensvormen en daardoor heel geschikt voor een studie naar biologische diversiteit.' Voor de Seychellen heeft het biologische werk grote waarde, want de belangrijkste twee middelen van bestaan zijn het toerisme en de visserij. Voor beide is een goed beheer van de koraalriffen een vereiste.

Het onderzoek dat zich op het klimaat richt is voor SOZ-directeur Stel een extra reden om de "Partners in Science'-gedachte te koesteren: "Waar het om gaat is dat je deze mondiale problemen gezamenlijk aanpakt. Dan kan niet zonder de ontwikkelingslanden. Die moeten dan een eigen infrastructuur hebben, zodat ze zelf hun overheden kunnen adviseren en geen dure consultancy hoeven te huren - waarmee ze weer afhankelijk zijn van het westen. Ze moeten hun eigen mening kunnen vormen, en dan zullen ze wetenschappelijk ook een steeds sterkere positie gaan innemen.'