Snijders maakt bijna vloeibare vormen in elegante belijning

Tentoonstelling: Jeroen Snijders bij De Appel, Prinseneiland 7, Amsterdam. T/m 13 september. Geopend di-za 13-17u.

Je zou denken dat de stilistische middelen van de beeldhouwkunst uit de jaren zestig en zeventig zo langzamerhand zijn uitgeput. 'Stapelen', 'hangen en leunen', 'het binnen-buiteneffect', deze begrippen, die ooit de impuls waren tot een nieuw soort 'autonome' beeldhouwkunst, brengen tegenwoordig onmiddellijk een gevoel van moedeloosheid en verveling teweeg. Ze vormen een afgesleten beeldtaal.

De jonge beeldhouwer Jeroen Snijders (Enschede, 1959) laat zich daar niet door afschrikken. In zijn beelden spelen genoemde begrippen een centrale rol, en het zijn allerminst vervelende beelden. Maar een belangrijk verschil met de beeldhouwkunst van een paar decennia terug is dat Snijders geen sculpturen wil maken die 'autonoom' zijn, die uitsluitend naar zichzelf verwijzen en verder niets mogen betekenen. 'Voordat ik begin moet ik van de betekenis overtuigd zijn. Dat wil zeggen van de mogelijke associaties die het beeld in zich heeft', zo wordt hij geciteerd in de catalogus van Sonsbeek 1986. Zijn recente beelden bij De Appel laten zien dat dit nog steeds een uitgangspunt voor hem is. Het aantrekkelijke van zijn werk zit hem juist in de wisselwerking tussen het beeld als zelfstandige vorm en datgene waar het, als figuratie, naar verwijst.

Het meest recente beeld is een 'Kroonluchter'. De constructie is simpel en toch heel vernuftig. De kroonluchter bestaat uit sierlijk gebogen houten palen, drie 'dubbele' voor de bovenkant, en zes 'enkele' - dat wil zeggen, met een enkele kromming en half zo lang als de dubbelgekromde palen - voor de onderrand. De onderdelen zijn eenvoudigweg met touwtjes aan elkaar verbonden. Het object hangt als aan arabeske van het plafond, prachtig onder de glazen overkapping van De Appel, een ruimtelijk, transparant bouwsel met een speels en lichtzinnig karakter.

Het kleine bronzen 'Droogrek' is ook zo'n geval. Aan een rekje hangen merkwaardige ovalen plakjes, of een soort kwabjes, ze hebben wel iets van koeietongen. Dit ongerijmde droogrekje voldoet aan alle eisen van het beeld als ruimtelijk object, mooi in evenwicht, zelfstandig zonder sokkel, met een ritmische afwisseling van horizontalen en verticalen. Aan het oppervlak besteedde Snijders - net als bij de Kroonluchter trouwens, maar anders - bijzondere aandacht, die heeft een mooi poederig patina.

Snijders past oude stijlmiddelen op een eigen manier toe. De belijning is elegant, de vormen zijn niet geometrisch en solide, maar slap, vloeibaar bijna. Die slappe vorm keert bij Snijders vaker terug, ook in de houtskooltekeningen. Grootse vernieuwingen zijn het weliswaar niet, maar het is toch een verdienste wanneer een beeldhouwer een eigen wending weet te geven aan iets waarvan de mogelijkheden uitgeput leken te zijn.