PIOTR JAROSZEWICZ 1909-1992; Giereks rechterhand

Dertig jaar heeft Piotr Jaroszewicz meegedraaid in de Poolse partijtop: van 1950, toen hij vice-voorzitter van het staatsplanbureau werd, tot 1980, toen partijleider Edward Gierek hem als zondebok wegstuurde in een laatste poging zijn eigen huid te redden. Een voorzichtige, onopvallende man die zelden op de voorgrond trad en ook nooit nummer één werd, relatief realistisch, relatief efficiënt, een grijze apparatsjik tussen grijze apparatsjiks - maar wel een die het vertrouwen van Moskou genoot in een periode waarin dat er heel veel toe deed.

In 1950 had Piotr Jaroszewicz er al een hele carrière op zitten: bij het uitbreken van de oorlog was hij dertig en schoolhoofd te Garwolin onder de rook van Warschau. Hij vluchtte naar de Sovjet-Unie en sloot zich aan bij het Poolse leger dat later met het Rode Leger werd ingezet bij de bevrijding van Polen. In 1945 was Jaroszewicz generaal, de op één na hoogste politiek commissaris van dat leger en onderminister van defensie van het "nieuwe' Polen.

Vanaf 1950 hield hij zich - tussen 1954 en 1956 als vice-premier - vooral bezig met de economie en met name de militaire planning van de economie. In dat kader groeide hij uit tot een van de belangrijkste vertrouwensmannen van Moskou in de Poolse top, een rol die hij na 1958 nog uitbouwde als Pools vertegenwoordiger bij de Comecon in Moskou.

Na de Oostzeerellen van 1970 en de val van partijchef Wladyslaw Gomulka na trad Jaroszewicz aan als premier, als rechterhand en chef-uitvoerder van de nieuwe partijsecretaris Edward Gierek, de man die als efficiënt en redelijk populair regionaal partijbaas in Silezië het tijdens de rellen van Gdansk danig gehavende aangezicht van de partij moest oplappen.

Gierek deed dat op de pof: in de eerste helft van de jaren zeventig werden enorme bedragen geleend van het Westen, die werden geïnvesteerd in de consumptiesfeer, in subsidies waarmee de prijzen van consumptiegoederen laag werden gehouden en in de zware industrie. Het waren gouden jaren voor de weinig verwende Poolse consument, de jaren van een kunstmatige economische boom. Maar het waren tegelijkertijd rampzalige jaren voor Polen op de wat langere termijn, want in die periode werd een schuldenlast opgebouwd waar Polen nu nog steeds onder lijdt.

De eerste kink in de kabel kwam in 1976, toen het bewind, in het nauw gebracht door de oliecrises, de recessie in het Westen en de teruglopende animo in dat Westen voor de Poolse exportprodukten, en zich niet bewust van zijn gebrek aan krediet, de vleesprijzen van de ene op de andere dag en zonder uitleg met 69 procent verhoogde. Het resultaat was een volksopstand: de inmiddels verwend geraakte Polen accepteerden die verhoging niet en gingen de straat op. Een dag later moest Jaroszewicz in een tv-toespraak de prijsverhoging intrekken - de eerste verpletterende vernedering van het socialistische bewind.

Met het Poolse socialisme is het nadien nooit meer helemaal goedgekomen. 1976 was het jaar waarin het dissidente comité KOR werd gevormd, het comité ter verdediging van de arbeiders die na de opstand werden ontslagen en vervolgd, het comité ook dat de kiem van de latere vrije vakbond Solidariteit werd. De tweede helft van de jaren zeventig moesten partijchef Gierek en zijn hulpje Jaroszewicz alle zeilen bijzetten om de Polen economisch min of meer tevreden en het eigen politieke hoofd boven water te houden.

Het lukte nog even, maar het lukte wel steeds minder. In 1980 werd het duo Gierek-Jaroszewicz ingehaald door de crisis, die later dat jaar zou leiden tot de stichting van Solidariteit. De partijchef liet bij de eerste tekenen van de naderende storm haastig zijn premier vallen: in februari 1980 werd de impopulaire Jaroszewicz de Polen als zoenoffer aangeboden en weggestuurd. Een vergeefs gebaar, want het offer maakte weinig indruk. Een paar maanden later viel ook het doek voor Gierek. Van Jaroszewicz werd alleen nog vernomen in 1981, toen de toenmalige partijchef Jaruzelski hem schuldig bevond aan “een verkeerd economisch beleid, machtsmisbruik en een dictatoriale regeringsstijl” en hem uit de partij gooide.

Piotr Jaroszewicz stierf maandagavond. Zijn lichaam werd gisterochtend vroeg door zijn zoon Andrzej (in de jaren zeventig het middelpunt van enkele schandalen wegens zijn al te luxueuze levensstijl) in zijn woning gevonden, samen met dat van zijn vrouw Alicja, ex-journaliste van het partijblad Trybuna Ludu. Zij was doodgeschoten. Hij was gewurgd. Zijn lichaam vertoonde sporen van foltering. De dader is spoorloos.