Ook Rogatica kan worden geofferd, als Gorazde; Serviërs vrezen terugkeer van moslim-vluchtelingen

ROGATICA, 3 SEPT. “Wij zullen tot elke prijs verhinderen, dat Unprofor voor de tweede keer wapens naar de moslims in Gorazde brengt,” zegt de Servische commandant in Rogatica, een stadje tussen Sarajevo en Gorazde, waar de Serviërs hun beleg van vier maanden hebben opgeheven. “Het hulpkonvooi van de Verenigde Naties kan komen”, zegt de kapitein. Maar wij zullen het goed doorzoeken.” Evenals alle Serviërs in deze streek blijft hij er heilig van overtuigd, dat bij het laatste konvooi vorige maand de VN de moslimstrijders in Gorazde van wapens hebben voorzien. “De VN was nog niet weg, of de moslims beschoten ons met 82-mm-mortiergranaten. Die werden in het vroegere Joegoslavië niet eens gemaakt.” Verder verwacht de kapitein dat de VN nu ook hulpgoederen voor de Serviërs in Rogatica zal brengen, niet alleen voor de moslims in Gorazde.

Rogatica heeft door de oorlogshandelingen in Bosnië-Herzegovina al veel te lijden gehad. Hele stadswijken, kennelijk vooral die waar voor de oorlog moslims woonden, zijn verwoest. In een winkelstraat zijn alle zaken opengebroken en geplunderd, maar de propagandaplakkaten van de moslim-partij SDA hangen er nog aan de muren. Er is duidelijk ook zwaar gevochten, midden in het plaatsje, waar vooral op hoeken en bij bruggen geen steen meer op de andere staat. Anders dan elders in Bosnië, lijkt de plaatselijke moskee echter zorgvuldig gespaard, hoewel alle huizen er omheen verwoest zijn.

Maar het is niet deze al in maart gestreden strijd, die de Servische commandant en de in het stadje gebleven bevolking thans zorgen baart, eerder het vooruitzicht dat de verdreven of vertrokken moslims binnenkort wel eens kunnen terugkeren. Rogatica bevindt zich namelijk plotseling in de frontlijn, sinds de Servische leider Radovan Karadzic vorige week vanuit Londen de opheffing van de Servische omsingeling van het naburige Gorazde verordonneerde. “Een grote fout”, meent de commandant, “want nu willen de moslims ook Rogatica”.

En het stadje wordt alleen verdedigd door de jongens uit de streek, omdat de Servische strijders uit Gorazde, samen met de rest van de Servische bevolking uit die stad, niet alleen zijn teruggetrokken, maar ook ontwapend en naar elders verdwenen. Ook van het geregelde Servische leger is geen spoor te vinden.

De kapitein-commandant, wiens naam niet ter sprake komt, ontvangt ons in zijn hoofdkwartier, een treurig ogende, onbestemde fabriek in het centrum van de stad. Vrouwen koken soep in een militaire veldkeuken. De trots van de Servische strijders alhier is een zo te zien al wat oudere pantserwagen, voorzien van het opschrift “God helpt de Serviërs” en een vrolijke koeiebel voorop. De woede jegens de wereldpers, die de “arme Serviërs” versmaadt en de gruwelen van de moslims niet wil zien, baant zich een weg in de vorm van dreiging met onmiddellijke executie. Maar dat hoort nu eenmaal een beetje bij het temperament in deze ruige heuvels van Oost-Bosnië, en gaandeweg ontwikkelt zich tussen commandant en verslaggevers een soort van verstandhouding, te meer daar de laatste immers gekomen zijn om de waarheid over de Servische zaak te vernemen.

“Ook Rogatica kan worden geofferd uit politieke motieven, net als Gorazde”, vreest de commandant, en vooral het uitblijven van versterkingen in de vorm van geregelde eenheden van het Servische leger is in dat verband kennelijk een veeg teken. “Er gaat geen nacht voorbij, of de moslims infiltreren in ons gebied, zij zijn nu al over de heuvels rondom Gorazde heen.” Hij verhaalt van nachtelijke slachtpartijen onder de nietsvermoedende bewoners van Servische boerenhuisjes, en meent dat er voor de oorlog eigenlijk geen politieke oplossing denkbaar is. “Dat hadden ze eerder moeten doen, nu de oorlog aan de gang is, is er geen weg terug.”

De commandant is na enige aarzeling bereid ons naar het front te begeleiden. De weg voert langs bergpaden en door dichte bossen, terwijl in de verte de doffe dreunen van artillerie of mortieren weerklinken, afgewisseld met geweervuur. Niet helemaal de “zware gevechten” die de VN vandaag hebben aangevoerd als reden, het hulpkonvoor naar Gorazde wederom voor onbepaalde tijd uit te stellen, maar toch. Op een heuvel, volgens de kapitein een kilometer van het front, is naast een van de weinige nog niet afgebrande boerenwoningen een hoofdkwartiertje met een machinegeweerstelling ingericht. De commandant wijst naar door de bomen zichtbare ruïnes. “Allemaal door de moslims in brand gestoken”, meldt hij, “dat huis daar vannacht nog.”

De bierin serveert koffie en gekookte eieren, en het bezoek wordt ook op een borreltje onthaald. Haar zoon is een van de strijders op deze post, en het moet gezegd, het zijn hartelijke aardige jongens, vervuld van energiek afkeer van het “fundamentalisme” en “fanatisme” dat zich naar hun zeggen van hun vroegere moslim-buren heeft meester gemaakt.

Het beleg van Gorazde, de tijd waarin zij zich heel wat veiliger voelden dan nu, komt hem nu bijna als een gelukkige tijd voor. De commandant laat een stencil zien, waarin de Servische strijders de moslims van Gorazde vrije aftocht naar “vrij en veilig moslim-territorium” beloofden, als zij zich zouden overgeven. “Neem deze oproep serieus, want wij hebben het beste met u voor”, aldus de tekst. “De militaire interventie komt niet, dus neem deze kans te baat. Wij zijn geen monsters of moordenaars, de eerlijken en onschuldigen onder u kunnen vrij vertrekken.”

De oproep was meegegeven aan een paar moslimkinderen die de Serviërs in handen hadden gekregen, vertelt de commandant. “Wij hebben hem schoenen, een broek en brood voor onderweg mee gegeven en gezegd dat zij naar Gorazde moesten terug lopen. Deze oproep hadden zij bij zich. Maar wij hebben nooit antwoord ontvangen.” De oproep had als uiterste datum 14 augustus, zo kort is het nog maar geleden dat de Serviërs hier de situatie vast onder controle dachten te hebben. Nu voelt ook Rogatica zich bedreigd en ons afscheid van de commandant is dan ook niet zonder een zekere melancholie. Staande voor zijn huis, zijn tien maanden oude dochter op de arm, zwaait hij ons uit. “Wij zien elkaar nog wel”, zegt een van zijn ondergeschikten, “als u straks samen met ons ook moet strijden tegen het moslim-fundamentalisme”.