Kokkelvloot valt Voorne binnen

OOSTVOORNE, 3 SEPT. “Ik zag opeens een soort oorlogsflottielje op me afkomen, al zaten er geen kanonnen op, en ik dacht: dat gaat niet goed.”

Vogeldeskundige N. van Swelm brengt verslag uit van zijn ervaringen van maandag jongstleden, toen hij voor de kust van Voorne vrijwel de hele Nederlandse kokkelvisserijvloot zag verschijnen. De circa 23 schepen uit Yerseke en Bergen op Zoom bezochten twee zandplaten, de Hinderplaat en de Westplaat, om hun buit binnen te halen nadat enkele dagen eerder het grootste deel van de Waddenzee voor de vangst van schelpdieren was gesloten. Na maandag zijn de kokkelvissers bij Voorne blijven komen.

Van Swelm, die ter plaatse onderzoek doet voor het Ornithologisch Station Voorne, alarmeerde terstond enkele milieu-organisaties, waarvan er één, de Zuidhollandse Milieufederatie, de boodschap oppikte en vertaalde in een telegram aan de bewindslieden van landbouw, natuurbeheer en visserij, Bukman en Gabor. In dat telegram wordt met klem verzocht de kokkelvisserij in het bewuste gebied te verbieden en zo snel mogelijk nadere regels te stellen die het voortbestaan van de kokkelbanken in de zogenoemde Voordelta garanderen.

Volgens de milieugroep - en Van Swelm - dreigen nu “de laatste grote schelpenbanken” voor de kust van Nederland te worden verwoest en dat zou rampzalige gevolgen kunnen hebben voor de vele tienduizenden eidereenden, toppereenden en zwarte zeeëenden die hier van schelpdieren leven. Deze vogels, maar ook diverse soorten steltlopers, zouden in het deltagebied nog slechts één mogelijkheid hebben om te fourageren: de mosselbanken van de Oosterschelde. Dit klemt te meer, zegt de milieufederatie, omdat grote groepen eidereenden door overbevissing van de Waddenzee naar de Zuidhollandse en Zeeuwse wateren zijn uitgeweken.

Vanaf de "slufter' bij de Maasvlakte of de Haringvlietdam ziet men de kokkelboten bij hoog water liggen: vrij platte vissersschepen van geringe diepgang, die met een soort stofzuigers de ondergelopen platen bewerken, waarna het opgezogen materiaal wordt gezeefd, zodat de kokkels overblijven. De vangst wordt aan boord gekookt en in Yerseke ingeblikt om grotendeels naar Spanje te verdwijnen, waar dit schelpdier een geliefd ingrediënt van paella vormt.

“Tot voor kort”, vertelt Van Swelm, “zag je hier maar één kokkelvisser, een man uit Stellendam, die in zijn eentje weinig kwaad aanrichtte, maar nu praktisch de hele kokkelvloot hier is neergestreken, valt het ergste voor de vogelwereld te vrezen. En dat uitgerekend in een gebied, de Voordelta tussen de Maasvlakte en de kop van Schouwen, dat op de nominatie staat te worden aangewezen als staatsnatuurmonument.”

Verwijzend naar een gesprek met ambtenaren van de directie Visserijen zegt Van Swelm: “Ze hebben me verteld dat de kokkelvissers zich vrijwillig beperkingen zouden opleggen, maar dat er niets van terecht gekomen is, omdat een aantal niet mee wou doen. Het kan nog wel even duren, als er tenminste niet wordt ingegrepen, want de kokkelvisserij, die aan nazomer en herfst gebonden is, houdt pas in oktober op.”

De Voornse ornitholoog ziet maar één oplossing voor het probleem: een verkleining van de kokkelvloot dan wel vermindering van het aantal visdagen per schip. Hij erkent dat dit voor betrokkenen een “pijnlijke ingreep” is: “Dat is ook de reden waarom de politiek de zaak op zijn beloop laat. Zoiets van: we sluiten de Waddenzee en zien verder wel. Maar dat is natuurlijk geen beleid.”

Van Swelm vindt dat de natuur hier onvoorwaardelijk voorrang moet krijgen boven de economie en dat zal volgens hem op den duur ook in het voordeel van de vissers zelf uitpakken: “Vanuit een gezond kokkelbestand kunnen immers nieuwe uitzaaiingen plaatsvinden en dat gaat niet of uiterst moeilijk als zo'n bestand drastisch is uitgedund, zoals nu dreigt te gebeuren. Dus moet het devies luiden: zorg voor een levenskrachtige kokkelpopulatie en dat kan alleen als de visserij op dit moment wordt ingekrompen.”

“Overdreven en onredelijk”, noemt D. J. Langstraat, voorzitter van het produktschap voor de visserij, de reacties van de milieufederatie. “De kokkelvisserij lgt aan banden!” zegt hij met klem. Er is volgens Langstraat met de kokkelvissers in het verleden afgesproken terughoudend te vissen en volgens hem houden ze zich daar ook aan. “Veertien schepen van de kokkelvloot liggen aan de kant. De vissers mogen maar een beperkt aantal uren op kokkels vissen.” Daarbij is de zeebodem in de voordelta "labiel'. “Eens in de zoveel jaar heb je een hoge kokkelstand. Maar er bestaat volgens deskundigen geen enkele garantie dat er in de voordelta speciale biotopen zoals die voor kokkels zullen ontstaan. Het stelsel van geulen en stromingen is dusdanig dat de aanwezige kokkels grote kans lopen bij komende stormen weg te spoelen.”

Langstraat is buitengemeen ontstemd over de milieufederatie. “Half Nederland denkt al dat vissers schurken zijn.” Hij meent dat acties zoals die van de Zuidhollandse milieufederatie dat beeld alleen maar versterken. “Vissers krijgen altijd het nadeel van de twijfel”.