Kan een kopie een onvervangbaar topstuk zijn?

“Hoe kon een marginaal schilderij terecht komen op een selectieve lijst van beschermde voorwerpen, vallend onder de Wet tot Behoud van Cultuurbezit?” Dat vraagt de oud-directeur van het Rijksbureau voor kunsthistorische documentatie (RKD) in Den Haag, drs. J. Nieuwstraten zich af naar aanleiding van de omstreden plaatsing van het schilderij Groot bouquet in houten kuip op de lijst van kunstvoorwerpen die het land niet uit mogen omdat ze van belang zijn voor het nationaal cultuurbezit.

De Duitse kunstverzamelaar D. Doll wil het werk graag kopen, en procedeert sinds 1990 tegen WVC om het werk van de beschermde lijst te krijgen. Opmerkelijk is dat afgelopen dinsdag, tijdens een hoorzitting over de zaak bij de Raad van State, bleek dat zowel de experts van de minister als van Doll, unaniem van mening zijn dat het niet om een origineel schilderij van Jan Brueghel de Oude gaat. De minister dacht dat op gezag van zijn experts wel in 1985, toen hij het paneel met ongeveer 130 andere "onmisbare' culturele voorwerpen op de lijst plaatste.

Een van de belangrijke adviseurs van de minister was toen de bloemstillevenspecialist dr. S. Segal uit Amsterdam. Hij vond het een belangrijk 17de-eeuws bloemstilleven, geschilderd door Jan Brueghel de Oude. Nu, na alle twijfels die door de juridische procedure zijn ontstaan, zijn zowel Segal als de expert van de tegenpartij, de Haagse kunsthistoricus dr. A. Blankert samen gaan kijken naar het omstreden schilderij, dat in Boymans in depot hangt, en een vrijwel identiek bloemstilleven dat in het Rijksmuseum hangt.

Hun conclusies nu: geen van beide schilderijen is een originele Brueghel. Beide bloemstillevens zijn kopieën, al of niet afkomstig uit Brueghels (hetzij van De Oude, hetzij van De Jonge) atelier. Daarover zijn de experts het nog niet eens. Dus bevelen ze nadere studie aan. Maar het bloemstilleven in Amsterdam -reeds in rijkseigendom- staat dichter bij het origineel van Brueghel (in Wenen) dan dat in Boymans. Bovendien verkeert het omstreden Rotterdamse schilderij in slechte staat en belangrijke delen zijn door onoordeelkundig schoonmaken en restaureren "verpoetst en overgeschilderd': er is deels onherstelbare schade aan toegebracht.

Zo werd binnen zeven jaar een topstuk op de beschermde WVC-lijst een kopie in slechte staat. Hoe kon dat dan gebeuren, vroeg Nieuwstraten zich af. Hij houdt het er op dat de experts in de commissie destijds zich teveel door slechts één (verouderd) boek, Les Peintres flamands de Fleurs van M.L. Hairs (1955), lieten leiden.

In verband met al deze nieuwe feiten wilde WVC de hoorzitting uitstellen. Vooralsnog sluit WVC niet uit dat het toch nog een Brueghel is, maar laat toch de Raad voor Cultuurbeheer opnieuw plaatsing op de lijst onderzoeken. De advocaat van Doll, mr. P. Russell meent dat door deze nieuwe feiten de minister alleen al op juridische gronden genoodzaakt is het paneel van de lijst te schrappen: het is immers niet een Brueghel, zoals zij stelt. Op 13 oktober bepaalt de Raad van State wie gelijk heeft.

Maar dan nog rijst de vraag: kan een kopie, als vertegenwoordiger van een type schilderkunst bij voorbeeld, niet een 'onmisbaar' onderdeel van ons cultuurbezit zijn? De advocaat namens de minister, mr. C. Heijning, wees er dinsdag op dat dat wel degelijk kan: de lijst van beschermd nationaal cultuurbezit in particulier eigendom is niet een soort Ark van Noach, betoogde zij, waarop van iedere soort maar één mag worden toegelaten.

Pikant is dat in de Eerste Kamer in 1984 bij de discussie over de WVC-lijst mevrouw Tiesinga-Autsema van D66 dit onderwerp al aansneed. Bestaat niet het gevaar dat op de lijst voorwerpen komen, waarvan in openbare collecties betere exemplaren aanwezig zijn? vroeg ze. Brinkman, toen minister van WVC, antwoordde: “Dat vermag ik niet in te zien. Als wij spreken over onmisbaar en onvervangbaar, praten wij niet over betere exemplaren, want dan lijkt het wel alsof wij over kopieën spreken.”