DIGNA SINKE MAAKT PORTRET VAN VERMOEIDE VEERTIGERS IN DE JAREN NEGENTIG; Het land waar we het mee moeten doen

Boven de bergen. Regie: Digna Sinke. Met: Johan Leysen, Catherine ten Bruggencate, Eric Corton, Roos Blaauboer, Esgo Heil, Renee Fokker. In: Amsterdam, Alfa 2; Den Haag, Haags Filmhuis; Nijmegen, Cinemariënburg.

Vijf van de zes helden van Digna Sinkes tweede lange speelfilm, Boven de bergen, behoren net als de regisseuse tot de naoorlogse geboortegolf. Het is een bijzondere generatie, of liever: een generatie die zichzelf een uitzonderlijke rol toedichtte. In de jaren zestig en zeventig vormde ze een politieke en culturele voorhoede, die gesteund door de macht van het getal, de rest van de samenleving moeiteloos haar wil oplegde. Nu zijn de helden vermoeide veertigers, een beetje gedesillusioneerd dat sommige zaken onveranderlijk bleken, maar nog steeds een beetje idealistisch en in ieder geval behept met superioriteitsgevoelens ten aanzien van wie the Beatles en het Maagdenhuis niet bewust meegemaakt en doorvoeld heeft.

In hun vakantie gaan ze wandelen: met het openbaar vervoer naar Pieterburen in het verre noorden en vandaar over het Pieterpad naar een van de weinige bergen die Nederland rijk is, de Pietersberg bij Maastricht. Neeltje (Roos Blaauboer) is de montere reisleidster, een praktisch ingestelde doorbijtster. Haar man Stefan (Esgo Heil) is meer een dromer en een theoreticus. Hij heeft overal verstand van en wijst het gezelschap onderweg pedant op pingo's, klokbekergraven en de lelijkheid van de naoorlogse architectuur. Misschien wel als bliksemafleider voor de donkere wolken, die zich boven dit kibbelhuwelijk samenpakken, hebben ze Rina (Catherine ten Bruggencate) meegevraagd, een vriendin van Neeltje, die door de anderen aangeduid wordt als "die overspannen zangeres'. Inderdaad is Rina nogal in de war, nadat ze op het podium, vlak voor de zelfmoordaria in Purcells Dido and Aeneas, ingestort was. De 19-jarige Jan Paul (Eric Corton), die minder op heeft met Sartre dan zijn ouders destijds en zich daarom JP noemt, voegt zich aarzelend in het gezelschap van oude vrienden van zijn vader (geen tijd, moet werken), zeker als de komst van Vincent (Johan Leysen) onzeker wordt. Vincent, een cynische praatjesmaker en de boezemvriend van Stefan, is altijd JP's idool geweest: hard, niet vies van geld verdienen en iemand die alles lijkt te kunnen. Op een camping in Drenthe voegen Vincent en zijn frêle, niet zo op ontberingen gestelde vrouw Hélène (Renee Fokker) zich een dag later dan afgesproken bij de wandelaars. Dan begint het te gisten tussen deze zes personages, op de proef gesteld door de fysieke vermoeienis van de tocht, de confrontatie met het verrassend gevarieerde en toch niet helemaal vlakke landschap en de herinneringen en half uitgesproken irritaties tussen hen onderling.

Er worden niet veel oorspronkelijke scenario's in Nederland geschreven over herkenbare tijdgenoten. Digna Sinke schreef zo'n script, met goed bekkende dialogen, in delicaat evenwicht tussen alledaagse spreektaal en meer literaire of symbolische terzijdes. Als regisseur slaagde ze erin een portret van Nederlanders uit de jaren negentig te maken, dat zowel oog heeft voor gewone beslommeringen als voor een meer analytische benadering van hun bestaan. Ze laat snackbars zien, dorpsjeugd op de brommer, het decor waartegen de verheven gedachtenwereld van deze intellectuelen op vakantie niet echt fel afsteekt. Ze realiseren zich, waar ze vandaan komen, wat hun land van herkomst en hun cultureel erfgoed ook weer was. Rina, die de boerderij van haar jeugd al wandelend passeert, bezwijkt bijna onder de druk van haar herinneringen, aan "stille, sterke mannen' die meer wonden hebben achtergelaten dan ze ooit verwacht had.

Op een camping ergens aan een van de grote rivieren zitten de jonge Turken van weleer naast elkaar op een hekje. Ze zien hoe in de verte een groepje jongeren van nu, met hun eigen idealen en nieuwe hoop op een betere toekomst, This Land Is Your Land zingt. Er wordt wat geschimpt op dat naïeve gedoe, maar het is duidelijk dat ze er meer door geraakt worden dan ze toe willen geven. De tekst van Pete Seegers liedje is veelbetekenend, als je het toepast op Nederland: dit land heeft geen hoge bergen en dalen, de passie leidt er een ondergronds bestaan, maar het is het land waar we het mee zullen moeten doen en waar we toch nooit echt van los kunnen komen.

De camera van Goert Giltay brengt een ode aan een Nederland, dat je ook al zelden zo in films verbeeld ziet. De fraaie, maar zelden overesthetiserende zwart-wit-fotografie onthult de mysterieuze zijde van dreven, dijken, bossen, heide, een bloeiende linde, een rivierpont. Er blijkt nog natuur te zijn in Nederland, die niet onderworpen is aan de mens. In een dramatische episode moeten de wandelaars zelfs hun meerdere erkennen in de natuurkrachten; erg overtuigend is die beproeving niet, want levensbedreigend is een Hollands onweer niet snel. Maar de onderlinge verhoudingen komen er door op scherp te staan, wie sterk was blijkt zwak te zijn en vice versa.

Slechts twee van de langeafstandslopers halen de bergen. Dan verschiet het beeld van zwart-wit naar kleur (tot dan toe alleen gebruikt voor de flash-backs naar Rina's jeugd) en wordt Sinke lyrisch. Het is een zwaar effect, dat eerder gevoelsmatig dan rationeel te verdedigen valt. Maar die overwinning van de beperkingen van de ratio, waarop ook in de dialogen regelmatig gezinspeeld wordt, is juist een van de thema's van Boven de bergen, een uitzonderlijke, in details niet altijd geslaagde, maar intelligente en bemoedigende film.

Ik denk dat buitenlanders er weinig van zullen begrijpen. Vaak is de constatering van gebrek aan universaliteit een zwaarwegend argument tegen de kwaliteiten van een film. In dit geval maakt het typisch Nederlandse, de spiegel die de voortreffelijke acteurs (vooral Leysen, Corton, Fokker en Blaauboer worden nooit kunstmatig) ons voorhouden, het resultaat alleen maar dierbaarder. Dit is het soort film dat we in Nederland over onszelf kunnen maken, en het is niet erg dat we het daarmee moeten doen.

    • Hans Beerekamp