Demirel blijft in oorlog met de Koerden

Vliegtuigen worden beschoten, treinen in brandgestoken, inzittenden van bussen vermoord, bezoekers van uitgaansgelegenheden neergemaaid, terwijl dorpelingen uit hun huizen worden verdreven, pro-Koerdische journalisten een nekschot krijgen en het aantal vermisten toeneemt.

De afgelopen negen maanden werden in heel Turkije ruim vierduizend terreuraanvallen uitgevoerd, waarbij velen het leven verloren. Het leeuwedeel van de incidenten speelde zich af in het Koerdische Zuidoosten. Het aantal doden in deze regio alleen bedroeg ongeveer dertienhonderd.

Sinds de Koerdische Arbeiders Partij, de PKK, acht jaar geleden een guerrilla-oorlog begon in het gebied dat wordt ingeklemd door Syrië, Irak en Iran, is de spanning in Turkije nog niet zo hoog opgelopen. De incidenten, met als hoogtepunt de belegering van het stadje Sirnak aan de Turks-Iraakse grens door PKK-strijders en het Turkse leger, heeft de uitwerking van een strop die steeds strakker wordt aangehaald.

De PKK staat voor dood en verderf, maar ook voor angst en frustratie. Was men niet juist bezig enigszins uit het dal omhoog te klimmen? Had de regering van conservatieven en sociaaldemocraten zich er immers niet op vastgelegd de democratie in te voeren? En hadden premier Süleyman Demirel en vice-premier Erdal Inöon in een breed gebaar van medemenselijkheid ook de Koerdische broeders en zusters niet in de armen gesloten?

De golf van terreur, die het land nu teistert, lijkt die ontwikkeling wreed te hebben weggespoeld. Of zijn de pleisters met het etiket democratie, die op alle politieke zweren waren geplakt, losgeweekt omdat de wonden onvoldoende werden verzorgd en begonnen te etteren? En is het de PKK gelukt om op die ontwikkeling in te spelen door de Turken terug te werpen op hun oude mechanisme: de rol van het leger wordt prominenter naarmate de politieke chaos toeneemt.

De coalitieregering die nu negen maanden aan de macht is, verkeert in een crisis. Elke poging om aan de hand van hervormingen de democratie te ontwikkelen, wordt in de kiem gesmoord. Het recentste voorbeeld daarvan zijn de juridische hervormingen, die zo'n beetje als de belangrijkste pijler gelden van het democratiseringsbeleid. Onder druk van de roerige ontwikkelingen in het Koerdische Zuidoosten van het land slaagde het parlement er niet in overeenstemming te bereiken over een zo belangrijke zaak als het terugdringen van folter, door de duur van het vooronderzoek te verkorten en een advocaat tijdens de ondervraging toe telaten. De haviken in de partij van premier Demirel konden zich zelfs niet vinden in de formulering dat deze hervormingen pas over twee jaar in werking zouden treden in het Koerdische Zuidoosten, waar de uitzonderingstoestand van kracht is, en voor alle zaken die in de rest van het land door de staatsveiligheidsrechtbanken worden behandeld.

Met recht zetten mensenrechtenorganisaties een vraagteken bij de intenties van de regeringscoalitie. Maar hun roep werd overschreeuwd door de gebeurtenissen in de Koerdische stad Diyarbakir, waar de Nationale Veiligheidsraad (president, legertop, premier en enkele ministers) en vervolgens de voltallige regering zich op bevel van president Turgut Özal beraadden op maatregelen om de Koerdische terreur een halt toe te roepen. Dat het Turkse parlement zich diezelfde dag over deze kwestie zou buigen, werd als een futuliteit terzijde geschoven wat goed weergeeft hoe de machtsverhoudingen in Turkije (nog steeds) liggen.

De uitkomst van de beraadslagingen geeft evenmin reden tot optimisme. Er is gekozen voor een radicale militaire koers. De bestrijding van het Koerdische terrorisme wordt - ook buiten de eigen grenzen - verder opgevoerd. Waarmee in wezen wordt gezegd dat in Zuidoost-Turkije een oorlog woedt. En het is de taak van het leger die te winnen. In een interview in deze krant formuleerde de Turkse minister van buitenlandse zaken, Hikmet Cetin, het als volgt: “Het Koerdenvraagstuk is geen etnisch conflict en de terreurorganisatie PKK mag niet worden aangemerkt als de vertegenwoordiger van de Koerdische bevolking. Het probleem in Zuidoost-Turkije is de terreur en niets anders”.

Deze mening leeft in brede politieke kringen in Turkije en geeft aan hoe er (alle democratiseringsplannen ten spijt) nog steeds tegen het Koerdenvraagstuk wordt aangekeken. Het is tevens een gevaarlijke versimpeling van de werkelijkheid. De PKK kan niet opereren zonder de steun - vrijwillig of afgedwongen - van de Koerdische bevolking. En hoe meer de militaire druk in de regio toeneemt, hoe groter de steun wordt. Die steun is niet zozeer gelegen in de onderschrijving van het ideaal van de PKK van een onafhankelijk Koerdistan, maar in de erkenning dat deze organisatie een vrijheidsstrijd voert die de Koerden in Turkije uitzicht biedt op het uitdragen van de eigen identiteit. Het is tevens een uitlaatklep voor de frustatie dat de Koerdische bevolking en bloc als subversief wordt gezien en door de veiligheidstroepen in de regio ook als zodanig wordt behandeld.

De PKK is in de afgelopen jaren niet alleen sterker, maar ook professioneler geworden. Van een organisatie met slechts enkele honderden guerrillastrijders begin jaren tachtig, is zij uitgegroeid tot een militante groepering met zeker elfduizend mannen, vrouwen en jongeren onder de wapenen, die zich zowel in de buurlanden Iran, Irak en Syrië als in Turkije zelf ophouden. Maar dat niet alleen. De PKK heeft bewezen te weten hoe belangrijk een goed geoliede propagandamachine is. De Turkse minister van binnenlandse zaken, Ismet Sezgin, gaf deze week toe dat de PKK er wonderwel in is geslaagd het Sirnak-incident in binnen- en buitenland af te schilderen als een vorm van grove intimidatie door de Turkse veiligheidstroepen van de Koerdische bevolking, die niets anders restte dan het bergstadje te ontvluchten.

Om de macht van de PKK te breken - om dus een wig te slaan tussen de organisatie en de Koerdische bevolking - heeft president Özal voorgesteld het regionale televisiekanaal ook programma's in het Koerdisch te laten uitzenden, Koerdische scholen toe te staan en een nationale discussie te ontketenen over het Koerdenvraagtuk. Premier Demirel, en de met hem verbonden sociaal-democratische coalitiegenoten, trekken zich terug op het oude bastion: dat is in strijd met de grondwet. Net of hij negen maanden geleden niet luid van de daken had laten klinken dat die grondwet (ontsproten aan het brein van militaire machthebbers) bol stond van de ondemocratische artikelen, die nu juist zo nodig op de helling moesten.

Demirel lijkt te onderschatten dat de Koerden de afgelopen jaren mondiger zijn geworden en dat ze Ankara - als het niet goedschiks kan dan maar kwaadschiks - aan zijn beloften zullen houden. Wat hebben ze immers te verliezen: de regio is onderontwikkeld, de werkloosheid schrikbarend hoog; er zijn onvoldoende gezondheidsvoorzieningen en het aantal scholen is ontoereikend. Met andere woorden: men voelt zich sowieso al achtergesteld.