Danspartners op de vierkante millimeter; Alle partijen van het Midden-Oosten-overleg ervaren zichzelf als zwak, maar zweren bij hun eigen gelijk

WASHINGTON, 3 SEPT. Hoe is het - met alle meningsverschillen die er nog bestaan - mogelijk dat de vredesbesprekingen tussen Syrië en Israel veel verder zijn gevorderd dan de Israeliërs hadden durven dromen? Zó ver, dat de Israelische delegatieleider Itamar Rabinowitch dringend verlegen zit om nieuwe instructies. Draaien de onderhandelingsdelegaties van de andere Arabieren en Israel bij het vredesoverleg in Washington in cirkels rond, of boeken zij onmerkbaar vooruitgang?

Uit de wollige verklaringen en in een dunne suikerlaag gedoopte aanklachten die de verschillende partijen hier opdienen, wordt slechts één ding duidelijk: alle deelnemers beseffen dat zij tot een regeling met elkaar gedoemd zijn, maar van harte gaat het bepaald niet. Men swingt met elkaar op één vierkante millimeter, in de hoop dat de dansvloer groter wordt of de ander iets meer ruimte biedt.

Iedereen is dan ook blij met de verdaging van tien dagen die morgen ingaat. De Israelische delegatie drong daarop aan, omdat er voor volgende week slechts twee onderhandelingsdagen ter beschikking stonden. Maandag is het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, waar de onderhandelingen worden gevoerd, wegens Labourday gesloten en volgende week donderdag vieren de moslims de geboorte van de Profeet Mohamed, zodat de Arabische delegaties dan verhinderd zijn. Op vrijdag, zaterdag en zondag wordt er nooit onderhandeld om - terwille van de gelijkwaardigheid - de fictie op te houden dat moslims, joden en christenen hun eigen verplichte rustdag hebben die alle werk verbiedt.

De pauze wordt door de delegaties gebruikt om met hun regeringen ruggespraak te houden. De Palestijnen hebben dan ook al aangekondigd dat zij naar Tunis gaan om daar met de PLO te overleggen. Dat is geen opzienbarend nieuws meer sinds de Israelische regering duidelijk heeft gemaakt dat het haar koud laat met wie de Palestijnse onderhandelaars in hun vrije tijd praten.

Op maandag 14 september is iedereen weer terug voor de hervatting van de zesde onderhandelingsronde, die tien dagen later wordt afgesloten. Wanneer en waar men daarna verder gaat, is nog niet afgesproken. Waarschijnlijk toch weer in Washington omdat president Bush - gezien de tijd en de energie die hij erin heeft gestoken, en de electorale opbrengst die hij ervan verwacht - een beetje getrouwd is met een embryonale vredesregeling in het Midden-Oosten.

De voortdurende afwisseling van hooggestemde en pessimistische verklaringen over het verloop van de onderhandelingen is niet alleen een verkooptruc om de publieke opinie te beïnvloeden, maar berust ook op een wezenlijk probleem: de handelstransactie is buitengewoon moeilijk.

De onderhandelingen worden gevoerd op basis van Veiligheidsraad-resoluties 242 en 338, die niet stellen dat men vrede voor vrede moet ruilen, maar onder andere voor land. Dat betekent dat de Israeliërs zo min mogelijk land willen ruilen tegen zo veel mogelijk vrede - waarmee zij liefdevolle, genormaliseerde betrekkingen bedoelen. Hun Arabische onderhandelingspartners streven precies het omgekeerde na. Omdat men de prijs van zowel het één als het ander zo moeilijk kan bepalen en iedereen automatisch ervan uitgaat dat de ander bedorven waar wil leveren, verloopt het onderhandelingsproces zo moeizaam.

Er is nóg een probleem - van psychologische aard, zowel aan Arabische zijde, met name bij de Palestijnen, als aan Israelische zijde. Alle partijen ervaren zichzelf als zwak, maar zweren bij hun eigen gelijk. Zij vinden dat zij onrechtvaardig zijn behandeld door sterkere machten dan zijzelf. Zo ervoeren de Arabieren tientallen jaren lang de door het Westen gesteunde militaire macht van Israel als een onacceptabele streek van de geschiedenis. Zij willen nu laten zien dat de Israeliërs althans in de vredesonderhandelingen niet de baas zijn.

Daarom doen de Palestijnen alles om het door Israel aangebrachte en door Washington goedgekeurde elastiek van de onderhandelingen uit te rekken. Zij proberen bij voorbeeld voortdurend op de één of andere wijze Jeruzalem op de agenda te zetten, hoewel zij van de Amerikanen hebben gehoord dat dit het moeilijkste en dus het laatste punt van de onderhandelingen behoort te zijn.

Gisteren brachten zij een juridisch deskundige de onderhandelingskamer binnen: Raja Shehadeh, oprichter van de Palestijnse organisatie Al Haq, die de door Israel begane schendingen van de mensenrechten in de bezette gebieden catalogiseert. Hij woont in Ramallah op de westelijke Jordaanoever, maar zijn identiteitskaart geeft aan dat hij in Jeruzalem woont - wat hem volgens de vorig jaar afgesproken regels voor de onderhandelingen automatisch uitsluit. De Israeliërs weigerden dan ook principieel hem te accepteren.

De Palestijnen voelen zich duidelijk de underdog en willen koste wat het kost uit die positie komen. Zij laten zich dus door Israel de wet niet voorschrijven en zij weigerden daarom even principieel Raja Shehadeh als deskundige in de wandelgangen te gebruiken.

De Palestijnse delegatieleider Haider Abdel-Shafi zei na afloop van de zitting die meer dan drie uur had geduurd: “Vandaag is er geen vooruitgang geboekt omdat men van Israelische zijde nog steeds aanvecht dat wij hulp van deskundigen krijgen. Wij beschouwen de kwestie van vrije hulp van deskundigen als ons recht. Zolang de Israeliërs niet met dit principe akkoord gaan, is er een moeilijkheid die een betekenisvolle vooruitgang in het proces van onderhandelingen uitsluit”.

Van hun kant hebben de Israeliërs het gevoel dat zij nooit meer de underdog mogen zijn. Daaruit volgt de noodzaak de upperdog te spelen om de zwakheid te verbergen die zij altijd voelen, maar nimmer toegeven. De Israeliërs hebben er dan ook grote moeite mee om hun onderhandelingspartners - en zeker de Palestijnen, die zij zo lang als hun minderen beschouwden - niet het verloop van de onderhandelingen voor te schrijven.

Een derde, nu nog niet erg zichtbaar probleem is de plechtige afspraak tussen de Arabieren dat de regeling met Israel alomvattend dient te zijn. Dus kijken zij over hun schouder hoe hun Arabische collega's ervoor staan. Wie te veel vorderingen boekt, kan al snel van capitulatie en uitverkoop worden beschuldigd.

Door die mechanismen stokken de onderhandelingen bij minimale hobbels. Wat de ene delegatie voorstelt, wordt door de tegenpartij bijna automatisch verworpen. Het wordt als uitermate positief gewaardeerd als men amenderingen toevoegt, die vaak de bedoeling hebben het geponeerde te ontkrachten. Veel voorstellen worden ook gelanceerd, opdat de tegenpartij ze zal verwerpen. Dat versterkt de eigen onderhandelingspositie.

Zo hebben de Jordaniërs voor de agenda een aantal punten voorgesteld die bij voorbaat al voor de Israeliërs totaal onaanvaardbaar zijn. Zij willen praten over stopzetting van de bouw van de joodse nederzettingen in de bezette gebieden - wat in feite een onderwerp is voor de Palestijns-Israelische agenda - en over de “door Israel bezette Jordaanse gebieden” - die in de oorlog van 1948 werden veroverd en die met de uitvoering van Veiligheidsraad-resolutie 242, uitgangspunt van de onderhandelingen, niets te maken hebben.

De Jordaanse woordvoerder Marwan Mouasher toonde zich dinsdag tegenover de pers verontwaardigd over het “harde” en “onacceptabele standpunt” van de Israeliërs, die uitsluitend “marginale kwesties” willen bespreken en “sommige van de centrale kwesties te gevoelig vinden om daarover te praten”.

In feite zeggen alle Arabische woordvoerders nu al een week lang dat de Israeliërs tegenover de buitenwereld de zaken mooier voorstellen dan ze zijn, en dat de voorstellen en ideeën van de regering-Rabin in vrijwel niets afwijken van die van de Likud-regering onder Shamir.

De Israeliërs reageren met ingehouden irritatie - “zeer teleurgesteld” - op al die verwijten. Het liefst zouden zij de media buiten de onderhandelingen houden, maar de Arabieren hebben dat tot dusver geweigerd. Yossi Gal, de Israelische woordvoerder, stelde gisteren opnieuw voor “dat wij bij de beschrijving van de stand van zaken in de onderhandelingen onze uitlatingen temperen en het gebruik van superlatieven nalaten - zowel in negatieve als positieve zin”.

Toch is het onverstandig te veel aandacht te schenken aan de verontwaardigde opmerkingen van de partijen, die zichzelf afschilderen als buitengewoon tegemoetkomend en concessie-bereid, maar ook als de ferme verdedigers van de altijd door hen ingenomen standpunten. Want zelfs in de zo problematisch verlopende Palestijns-Israelische onderhandelingen sluiten de uitgewisselde voorstellen elkaar niet langer helemaal uit.

De symfonie van verwijten van Arabische zijde, door de Israeliërs beantwoord met een stroom van merendeels valse geruchten (bij voorbeeld dat de Palestijnen uit angst voor de fundamentalistische Hamas eigenlijk geen verkiezingen willen), is vooral bedoeld om de druk op de tegenpartij te verhogen. Echt in ongerede zijn de onderhandelingen niet. Dat bewijst al het feit dat Israel zich in principe bereid heeft verklaard om aan Jordanië de komende weken een nog onkende hoeveelheid water te leveren, teneinde de Jordaanse hoofdstad Amman uit de nood te helpen.