Technische bezwaren tegen centrale in Dodewaard bizar

ROTTERDAM, 2 SEPT. Aanleiding voor de huidige opwinding rond de reactor van Dodewaard is de poging uit 1987 om de talrijke "aanvullende vergunningen' die binnen het raam van de Kernenergiewet sinds 1970 waren verstrekt voor wijzigingen aan installatie en bedrijfsvoering terwille van het overzicht onder één nieuwe vergunning te brengen.

Die kwam in 1988, maar is dit jaar door de afdeling geschillen van de Raad van State ingetrokken. Men vindt dat een zó wezenlijke nieuwe vergunning is opgesteld dat een procedure in de zin van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne nodig is. Daar hoort inspraak bij. De vergunningverlenende ministers vonden juist dat de "aanvullende vergunningen' steeds wijzigingen betroffen die de kans op "gevaar, schade of hinder' niet vergrootten maar eerder verkleinden.

Wat de techniek betreft concentreert de discussie zich nu op enige bizarre punten. Er wordt op gewezen dat het aantal splijtstofelementen (bundels van 36 splijtstofstaven) in de loop van de jaren is gegroeid van 156 naar 164. Ongenoemd blijft dat dat al in 1975 gebeurde, dat het vanaf het begin de opzet was en dat het de vermogensdichtheid van de reactor (bij een gelijkgehouden output) gunstig verlaagt.

Nog vreemder is de aandacht die de proeven met zogeheten MOX-brandstof krijgen. MOX (mixed oxides) bestaat uit een mengsel van splijtbaar plutonium met onverrijkt uranium. Het is een middel om naast uranium-235 ook plutonium in lichtwaterreactoren te verbranden. Veel Europese kerncentrales gebruiken MOX omdat het aanbod van opgewerkt plutonium de laatste jaren groeit nu de meeste kweekreactoren zijn gesloten of stilgelegd (Kalkar, Super Phénix).

Ook de proeven met MOX lopen al sinds 1972 en ze zijn in hun aard eerder onschuldiger dan gevaarlijker geworden. Rustte men aanvankelijk twee splijtstofelementen uit met 20 staven MOX, later werden vijf elementen van elk twee staven MOX voorzien. Daar komt bij dat de proeven die Dodewaard doet slechts "bevestigend' van aard zijn. Elementair onderzoek aan MOX heeft plaats gehad in de echte research-reactoren. Dat het kabinet nu besloten heeft toch terug te keren naar de oorspronkelijke opzet van de MOX-proeven, slaat de onderzoekers van Dodewaard met stomheid. “Er is geen enkele technische grond voor”, menen zij.

Ten slotte is er door actiegroepen tegen Dodewaard op gewezen dat de definiëring en kwantificering van zoiets vaags als "veiligheid' in de loop van de jaren aanmerkelijk is verbeterd en dat de zogeheten Probabilistic Safety Analysis (PSA) van Dodewaard nog lopende is. Er zou dus nog geen inzicht bestaan in de "veiligheid'. Feit is dat de eerste fase van de PSA, de fase waarin de kans op kernsmelting wordt berekend, al wèl is afgerond, dat die kans voldoende laag is en dat ook uit de lopende studies geen aanwijzingen voor onverwachte onveiligheid volgen.

Tegenover deze ongewisheid staat het gunstige oordeel van het Internationale Atoom Energie Agentschap (IAEA) die in 1988 op verzoek de bedrijfsvoering van "Dodewaard' in een zogeheten OSART-inspectie onderzocht. En de lof die experts van het Amerikaanse General Electric (die het ontwerp voor Dodewaard leverde) nog vorig jaar tegenover deze krant uitspraken over die bedrijfsvoering. Bij General Electric vindt men ook één van de voornaamste argumenten voor het openhouden van Dodewaard, ook al is dat nu formeel onwettig: uitgerekend de reactor van Dodewaard heeft kenmerken - zoals de natuurlijke watercirculatie zonder hulp van pompen - die in de nieuwe generatie GE-reactoren met "ingebouwde veiligheid' zo op prijs worden gesteld.

    • Karel Knip