Praktische lessen in Nederlands op de werkvloer; Het bleek een vergissing een cursus met zo massale deelname binnen werkuren te organiseren

Ooit waren werklust en vakmanschap voldoende om in de fabriek te kunnen werken. Nu wordt van steeds meer produktiemedewerkers ook een goede taalbeheersing gevraagd. Bedrijven onderwijzen vaker Nederlands op de werkvloer.

Elisio Delgado (31) werkt sinds drie jaar bij Sigma Coatings, dat in Nederland met een handvol fabrieken en vierhonderd werknemers verf produceert. De Kaapverdiaan doet mee aan de cursus 'Nederlands op de werkvloer.' Hij is er enthousiast over; door de taalcursus kan hij zowel in het dagelijks leven als op zijn werk beter uit de voeten. Delgado is ervan overtuigd dat het niet meer mogelijk is om zonder een redelijke beheersing van het Nederlands naar behoren te functioneren. Aan de communicatie met collega's worden tegenwoordig hogere eisen gesteld, evenals aan de leesvaardigheid.

Volgens Henk Snoeken van het Landelijk Studie- en Begeleidingscentrum Nederlands op de Werkvloer (LSBNW, gefinancierd door het Centraal bestuur voor de Arbeidsvoorziening) zijn in Nederland de afgelopen tien jaar ongeveer 250 taalprojecten voor laaggeschoolden en allochtonen van de grond gekomen. De laatste tijd loopt de curve exponentieel omhoog; ruim de helft van deze projecten dateert van de afgelopen twee jaar. Modernisering is meestal de aanleiding; ingewikkelde machines en computers vragen om bijscholing van het personeel. Volgens Snoeken is de nijpende situatie op de arbeidsmarkt een belangrijke drijfveer voor de taallessen - goed personeel is lastig te vinden - hoewel bedrijven zich soms liever als weldoener profileren. "We moeten iets voor onze allochtone werknemers doen', is dan het argument.

Niet iedereen is even enthousiast over de aandacht die ondernemingen besteden aan de beheersing van het Nederlands door hun werknemers. Eerder dit jaar vroeg de leiding van de Akzo-vestiging in Steenbergen ontslag aan voor een Marokkaanse medewerker die weigerde deel te nemen aan een taaltoets. De man vond dat hij voldoende Nederlands sprak. Het Arbeidsbureau oordeelde in het voordeel van de fabriek: als de beheersing van het Nederlands voldoende is, waarom dan geen toets?

De Marokkaan vecht inmiddels met behulp van een advocaat zijn ontslag aan, aldus de juridische afdeling van Akzo. Het concern is niet genegen zijn taaleisen te laten varen. “Op zijn minst moet men etiketten en dienstaanwijzingen in het Nederlands kunnen lezen”, motiveerde een woordvoerder het taalproject in Steenbergen. “In de fabriek wordt met nieuwe, ingewikkelde machines gewerkt. Daarbij is, ook uit oogpunt van veiligheid, enige kennis van het Nederlands nodig.”

Sigma Coatings, onderdeel van het Belgische Petrofina-concern, begon zijn eerste cursus Nederlands al begin jaren tachtig en behoorde daarmee tot de pioniers. Het bedrijf vervatte zijn ervaringen met voorbereiding en opzet van de taallessen in het boekje "Nederlands op de werkvloer'. Minister De Vries van sociale zaken onderstreepte tijdens de recente presentatie ervan de noodzaak van scholing voor ouderen, vrouwen en allochtonen, “want het zijn juist deze groepen werknemers die kunnen helpen om het toenemende probleem van moeilijk vervulbare vacatures op te lossen”.

Het was niet zozeer het probleem vacatures op te vullen, als wel de moeitte die het kostte om arbeidsplaatsen bezet te houden die Sigma Coatings er - indirect - toe dreef een cursus Nederlands te ontwikkelen. De onderneming had zo'n tien jaar geleden te maken met een hoog ziekteverzuim en een geringe betrokkenheid van de werknemers. Volgens algemeen directeur E. de Vries waren die problemen vooral terug te voeren op de lage kwaliteit van het werk. “Eind jaren '70 kenden onze fabrieken een organisatie gebaseerd op het principe van Taylor: monotone, schrale functies met beperkte inhoud en beloning, bestuurd door een zware hiërarchische structuur met veel plannende, sturende en controlerende functies.'

Pag. 16: Taalgebruik in fabriek basis voor Nederlandse les

Verbetering werd gezocht in instelling van zogenaamde autonome taakgroepen. Individuele werknemers zouden voortaan binnen een eenheid moeten functioneren, waarbinnen afwisseling van werkzaamheden het parool was. In het vervolg hoefden Sigma-werknemers niet meer dag in, dag uit hetzelfde geestdodende werk verrichten; wie de ene keer balen sjouwde, zou de andere keer verf mengen of pallets laden. Hun "horizon' zou zich daardoor verbreden en er zou een beter contact met collega's ontstaan door de noodzaak van meer overleg. Dat zou weer een positief effect hebben op ziekteverzuim en verloop.

Een en ander dwong Sigma de communicatie op de werkvloer op een hoger plan te brengen. Bovendien was daar de invoering van de Arbowet, die voorschrijft dat werknemers veiligheidsvoorschriften moeten kunnen lezen. Bijscholing van de allochtone werknemers - 35 procent van het produktiepersoneel - was onontkoombaar, zo oordeelde de bedrijfsleiding.

Het besluit tot onderricht in het Nederlands was gemakkelijker genomen dan uitgevoerd, zo bleek al snel. De eerste fout die Sigma maakte, was de inschakeling van "de basiseducatie', de overheidsinstelling die onderwijs voor laaggeschoolde volwassenen verzorgt. “Een doodlopende weg”, oordeelt achteraf Patricia Beversluis, hoofd opleidingen van Sigma Nederland. De cursussen werden bij wijze van spreken zo van de plank gerukt; aansluiting op het taalgebruik van de werkvloer en het niveau van de werknemers ontbrak.

Een tweede misser was dat Sigma-werknemers de cursussen buiten werktijd moesten volgen, zonder dat er een vergoeding tegenover stond. De geestdrift om deel te nemen was dan ook beperkt. Absentie was eerder regel dan uitzondering.

Eind jaren '80 kwam de zaak in een stroomversnelling. Sigma besloot een nieuwe, moderne fabriek te bouwen in Amsterdam. De technologisch verouderde, milieuvervuilende en te krappe fabrieken in Zaandam, Alphen aan den Rijn en Zeist zouden sluiten.

Die overgang versterkte de behoefte aan geschoold personeel. In Amsterdam zou de technologie regeren. De werknemers zouden er, naast nieuwe technische kennis, een veel grotere taalvaardigheid nodig hebben dan voorheen gebruikelijk was. Ze moesten codes intypen, en teksten en getallen uit de computer moeten kunnen lezen.

Sigma had op dat moment twee mogelijkheden, vertelt A. Horst, hoofd opleidingen van de nieuwe plant in Amsterdam. De eerste was iedereen die niet aan de eisen voldeed de laan uit te sturen en nieuw personeel binnen te halen. De tweede mogelijkheid was vast te stellen welke deskundigheid onder het "oude' personeel aanwezig was en die - indien te gering - op het vereiste basisniveau te brengen.

Wegsturen van werknemers, zo werd duidelijk, zou Sigma handenvol geld en een massa vakkennis kosten. Dus werd gekozen voor behoud van eigen personeel en bijscholing. Dat zou ook flink in de papieren lopen, maar het was per saldo goedkoper. De kennis van de meesten mocht in theoretisch opzicht tekortschieten, ze beschikten volgens Horst wel over “een voortreffelijk praktisch vaardigheidsniveau”.

Om een taalcursus te kunnen opzetten die werkelijk vrucht zou afwerpen, deed Sigma nu, op instigatie van Patricia Beversluis, de ongebruikelijke stap ondersteuning te vragen bij de Projectgroep Toegepaste Taalcursussen van de Universiteit van Amsterdam. Deze groep rukte geen kant-en-klare cursus uit het rek, maar koos voor "een aanpak van onderaf': de docenten begaven zich op de werkvloer om te achterhalen wat van de werknemers werd verlangd. Briefjes op prikborden, werkopdrachten, gebruiksaanwijzingen, voorschriften en bandopnamen van werkoverleg werden uitgangspunt van de cursus.

Volgens projectgroepleider S. Verhallen levert zo'n aanpak een hoog rendement. De cursisten krijgen lesstof voorgeschoteld die ze in de praktijk kunnen oefenen, waardoor snelle vorderingen mogelijk zijn. Dat komt werkgever en werknemer ten goede. Personeel dat gemakkelijker en met meer plezier werkt, levert hogere en betere produktie.

In de herfst van 1988 ontvingen alle produktiemedewerkers van Sigma-fabrieken een brief - in hun eigen taal - met informatie over de met hulp van de Amsterdamse wetenschappers ontwikkelde nieuwe cursus Nederlands. Op een voorlichtingsbijeenkomst werd nog eens op de cursus en de noodzaak daarvan ingegaan. De allochtone medewerkers konden zich bij onduidelijkheden wenden tot de aanwezige tolken.

Aansluitend werd een toets afgelegd, waarmee het niveau van taalbeheersing kon worden vastgesteld. Aan de toets deden allochtone medewerkers mee en autochtone, de blauwe overalls van de werkvloer, maar ook de witte boorden en jassen van kantoor en laboratorium. Een gouden greep, aldus Horst: “Menigeen dacht: als iedereen meedoet, waarom ik dan niet?”

Uit de toets bleek dat een groot deel van de allochtone werknemers het Nederlands onvoldoende beheerste. Van de ongeveer 130 buitenlandse werknemers bleken er zeventig in aanmerking te komen voor scholing. Vijftien van hun waren nagenoeg of geheel analfabeet. Tot verrassing van het bedrijf bleek ook niet iedere autochtoon met vlag en wimpel te slagen. Dertig van de 384 Nederlandse werknemers bleken wel extra scholing nodig te hebben. Zeven autochtonen waren nagenoeg analfabeet.

De cursus die daarop van start ging, uitsluitend voor allochtonen, sloeg aan. De meeste deelnemers slaagden. De enkeling die het diploma niet bemachtigde, door ziekte of een onvoldoende niveau, kon in 1989 opnieuw deelnemen. Dat jaar begon ook de eerste cursus voor autochtonen. De voorbereiding hiervan had, omdat analfabetisme onder Nederlanders nogal gevoelig ligt, meer tijd nodig gehad. Pas toen volledige anonimiteit was gewaarborgd, was een aantal van de autochtonen bereid om mee te doen. Beide cursussen, voor autochtonen en allochtonen, namen 200 uur in beslag - overzichtelijk opgediend in modules.

Aanvankelijk konden de cursisten binnen werktijd aan de cursus deelnemen. Uitzendkrachten namen het werk dan over. Maar een plotselinge hausse in orders noodzaakte het bedrijf het roer om te gooien. De uitzendkrachten konden de sterk toegenomen vraag niet bijbenen. Het bleek een vergissing een cursus met zo massale deelname binnen werkuren te organiseren. Machines stonden stil en levertijden werden langer. Horst: “Daar hebben we ons ongelofelijk op verkeken.”

Het gevolg was dat besloten werd alle cursussen, ook rekencursussen en vakopleidingen, in principe buiten werktijd te houden. Wel stelde Sigma er een vergoeding tegenover; lesuren werden uitbetaald als gewone werkuren. Van verminderde animo was nagenoeg geen sprake.

De grote deelname aan de zelfontwikkelde taalcursus en het hoge slagingspercentage hadden mede hun oorzaak in het feit dat Sigma een nieuwe fabriek bouwde. De werknemers van de vestigingen die zouden gaan sluiten, konden alleen mee naar Amsterdam als ze de basiskwalificatie 'Nederlands op de werkvloer' op zak hadden. Basiskennis van het Nederlands was nu eenmaal nodig voor de te volgen nieuwe vakopleidingen. Alleen voor mensen ouder dan 59 jaar werd een uitzondering gemaakt.

Overigens is een verbeterde beheersing van het Nederlands geen garantie voor een grootse carrière in een moderne fabriek. Bij de vestiging van elektronicafabrikant Texas Instruments in Almelo doorliepen de laatste jaren 61 werknemers een cursus Nederlands, die hen in staat moest stellen zelfstandiger te werken en verder te leren. Het leerresultaat van de cursus, op maat van bedrijf en medewerkers ontwikkeld met hulp van de stichting Twente Educatief, was goed, aldus W. Westerbeek, coördinator opleidingen bij Texas Instruments. Het gemiddelde "rapportcijfer' Nederlands steeg door de cursus van 4,8 naar 7.

Van de 61 deelnemers stroomden er uiteindelijk 22 door naar het certified operators program, op grond van gebleken taalbeheersing, motivatie en aanleg. De anderen, onder wie analfabeten en cursusweigeraars, betitelt Westerbeek als "kansarmen'. “Een operator krijgt variabeler werk, kan op meer plaatsen worden ingezet. Haal je dat niveau niet, dan zit je al gauw op een vaste plaats zonder perspectief.”

Ook met de 22 naar de vakopleiding doorgestroomde allochtone cursisten is Texas Instruments niet van de taalproblemen verlost. Docenten moeten extra aandacht besteden aan hun taalgebruik en de wijze waarop ze lesstof presenteren. Toetsen moeten mondeling worden afgenomen in plaats van schriftelijk; vragen vergen veelal nadere uitleg. “Soms moet je meermalen toetsen voordat mensen een bepaald niveau bereikt hebben”, zegt Westerbeek. “Dan vraag je je soms af hoelang je moet doorgaan.”

Bij Sigma in Amsterdam overheerst vooralsnog tevredenheid over de resultaten van de taalcursus: “In een laatste evaluatie met de assistent-chefs bleek dat die zeer tevreden waren. De mensen werken zelfstandiger, praten over het werk met hun collega's, voeren overleg”, zegt opleidingsfunctionaris Horst. “Grotere betrokkenheid binnen zo'n autonome taakgroep heeft zonder twijfel positieve gevolgen voor het produktieniveau. Dat ervaren de chefs ook. Die zeggen nu gemakkelijker met de mensen te kunnen praten. Die zien dat ze meer verantwoordelijkheid op zich nemen, dat ze niet afwachten tot iemand anders of de baas het initiatief neemt.”