"Mini-Marshallplan voor ex-Joegoslavië'

DEN HAAG, 2 SEPT. Voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door de oorlog in het voormalige Joegoslavië zal de internationale gemeenschap na beëindigen van de vijandelijkheden een grootschalig programma van wederopbouw moeten uitvoeren.

De vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris van de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) in Den Haag, J. de Smet, spreekt van een “mini-Marshallplan”. Via het Marshallplan stelden de VS in de jaren van 1949 tot 1951 bij elkaar ruim 11 miljard dollar beschikbaar voor de wederopbouw van het door de Tweede Wereldoorlog verwoeste Europa. De Smet noemt met name de situatie in Bosnië “catastrofaal”.

Een missie van de UNHCR heeft in ex-Joegoslavië onderzocht hoe hulp kan worden geboden aan de grote groepen ontheemden die op de vlucht zijn geslagen voor het oorlogsgeweld. In een rapportage, die komende vrijdag centraal staat tijdens een conferentie in Genève, wordt geconcludeerd dat in eerste instantie 1 miljard dollar nodig zijn voor directe noodhulp aan de 2,7 miljoen vluchtelingen.

De UNHCR onderscheidt in de periode tot april 1993 drie fasen in de hulpverlening. In eerste instantie zullen de inspanningen erop gericht zijn om de mensen die nu zijn ondergebracht in vluchtelingenkampen de strenge winter veilig door te laten komen. Tevens zullen de meest kwetsbaren moeten worden opgevangen in andere landen. Het gaat hierbij om zieken, kinderen, ouderen en vrouwen.

Op basis van de uitkomsten van de Joegoslavië-conferentie in Londen gaat het Hoge Commissariaat er van uit dat de vijandelijkheden de komende maanden zullen worden gestaakt. Vervolgens treedt de fase in waarbij de gevluchte bevolking van de door oorlog geteisterde streken van het voormalige Joegoslavië naar huis zullen terugkeren. Vervolgens moet, voor april volgend jaar, de laatste fase van wederopbouw ingaan.

Tijdens de conferentie komende vrijdag in Genève zal overlegd worden over de vraag welke Europese landen in welke omvang bereid zijn een bijdrage te leveren aan de hulpverlening. Volgens De Smet heeft Nederland evenals Duitsland daaraan reeds “ruimschoots een steentje bijgedragen”.