Het dragelijke van de ondragelijkheid

Het Joegoslavisch probleem verplaatst zich: het gaat niet meer zozeer om het beëindigen van de beestachtigheden als wel om de vraag wat het belanghebbende deel van de wereld belet er een eind aan te maken. Er is na het begin van de Koude Oorlog, de periode waarin over grote problemen aan bijna-unanimiteit geen gebrek was, in zijn soort niets dat zo weinig verschil van mening heeft veroorzaakt. De commentaren in de Europese en Amerikaanse kranten, de meningen van de politici, internationaal, de "stem van het volk' - over het algemeen de stem van de eigen omgeving - en alle uitingen die verder beschikbaar zijn om de opinie te peilen: het "onverdragelijk' nadert steeds dichter tot de gemeenschappelijke noemer. Van de gewone argumenten, ingegeven door directe verontwaardiging, tot genuanceerde, historisch bepaalde overwegingen, het komt allemaal tot de slotsom dat de slachtpartij niet kan voortduren.

Het gebeurt zelden dat degenen die de politieke beslissingen nemen, zo'n stevige grondslag hebben gehad om over te gaan tot actie, en daarbij zozeer de zekerheid dat, naarmate de burgeroorlog duurt, dat fundament alleen steviger kan worden. Bij iedere journaaluitzending stijgt de overtuiging dat het "zo niet langer kan'; bij iedere nieuwe zending vluchtelingen raakt men er verder van overtuigd dat de stabiliteit van de omringende landen wordt aangetast. Bij de "menselijke' verontwaardiging die men lang kan volhouden zonder er daden op te laten volgen, voegt zich de bedreiging van het eigenbelang. Hoe komt het dan dat de elkaar uitmoordende partijen niet alleen hun gang kunnen blijven gaan, maar door onze werkeloosheid tot verder uitmoorden worden aangemoedigd?

Iedere crisis heeft een theoretische en een praktische grens. Als de theoretische al vèr is overschreden hoeft dit nog niet te betekenen dat de praktische al is bereikt. Dat is het geval met de Joegoslavische burgeroorlog. Die bewijst dat behalve moordpartijen in Azië of Afrika ook grootschalige oorlogsmisdaden in de buurt tot niets verplichten dan een bedrag op een gironummer. De Europeanen zijn in staat, ook vertrouwde vakantieoorden en "eigen Europese" monumenten aan vandalen en verkapte racisten ten offer te laten vallen als de overmacht der omstandigheden voldoende gewicht blijkt te hebben. Dat is de overeenkomst met een jaar of zestig geleden toen West-Europa in zijn midden één van de grootste organisaties van staatsterreur tot ontwikkeling heeft laten komen omdat die merkwaardige overmacht van de duurzame aarzeling geen andere keuze liet.

Zelfs een publieke opinie over een zaak van buitenlandse politiek die zo eensgezind is als deze over Joegoslavië, heeft een overtuigd leiderschap nodig om tot grondslag voor een actieve politiek te dienen. De publieke opinie op zichzelf is een amorfe macht die zich in optochten kan tonen, maar afgezien daarvan geen politiek maakt. De conferentie in Londen heeft opnieuw laten zien dat er in het Joegoslavische probleem geen actief leiderschap is. Ligt dat aan het gebrek aan overtuiging van de politici; zijn ze niet voldoende doordrongen van de noodzaak tot interventie? Of vertrouwen ze de bijna-unanimimieit van de publieke opinie niet? Of geloven ze dat het hun zelf aan de noodzakelijke kracht ontbreekt om een publieke opinie die schijnbaar bereid is een gewapende interventie te steunen, de daden bij de woorden te laten voegen?

Geen mens die het antwoord weet zolang niet de proef op de som is genomen. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de politici. Zij moeten de moed hebben, besluiten te nemen waarom de publieke opinie beweert te vragen. Zij zijn gekozen om datgene te doen waartoe president Mitterrand, uit wat voor motieven dan ook, een persoonlijk initiatief heeft genomen door zelf in Sarajevo te verschijnen. Als de politici, de "leiders van Europa" daaraan geen vervolg geven - dat doen ze - vertrouwen ze hun kiezers niet.

Het Joegoslavische vraagstuk is allang niet meer beperkt tot de burgeroorlog en de schuldvraag. Het is tot een Europees vraagstuk geworden omdat het laat zien hoe groot de afstand tussen volken en regeringen is. De politieke élite twijfelt aan haar kiezers omdat ze niet weet in welke mate die bereid zijn zich hun vreedzaam en comfortabel bestaan te laten afnemen. De kiezers twijfelen aan de besluitvaardigheid van de politici omdat die inmiddels hebben bewezen, geen einde te kunnen maken aan een bloedige crisis die unaniem wordt verafschuwd.

Het dagelijks vertoond en iedere dag meer ervaren gevolg daarvan is dat het vraagstuk op zijn beloop wordt gelaten. Wat de tafrelen op de televisie en de verslagen en commentaren in de kranten niet kunnen bewerkstelligen, zal straks door de voelbare gevolgen worden veroorzaakt. Van Duitsland kan niet worden gevergd dat het meer vluchtelingen opneemt. De andere Eurpese landen die voor verlichting van het probleem het eerst in aanmerking komen, proberen zich met een verscheidenheid van verontschuldigingen aan de gevolgen van de aarzeling te onttrekken.

Door in de dagelijkse praktijk van de politiek het Joegoslavische probleem op zijn beloop te laten, te trachten het in quarantaine te houden, heeft het politieke leiderschap van Europa de grondslag gelegd voor een veel duurzamer crisis waarvan Rostock maar een voorproefje is.

    • H.J.A. Hofland