Gemiste kans

De vakcentrales zijn “verbaasd en bezorgd” over de parlementaire enquête naar de uitvoering van enkele belangrijke sociale wetten, zo lieten (in volgorde van grootte) FNV, CNV en MHP gisteren in een gezamenlijke verklaring weten. Ze vinden het middel van een enquête te zwaar en ze zijn bang dat het onderzoek de talrijke bestaande goede voornemens ten aanzien van het beteugelen van het ziekteverzuim en van de toeloop op arbeidsongeschiktheidsregelingen frustreert.

Beide argumenten ogen, zwak uitgedrukt, niet sterk. Het CNV profileert zich graag als een “aanvallende middenveldorganisatie”. En ook FNV en MHP laten zich niet onbetuigd als het erom gaat de eigen vernieuwingsdrang te etaleren. Maar de defensieve teneur van de reactie op de enquête lijkt vooral voortgesproten uit ouderwetse behoudzucht. Ze doet denken aan juli vorig jaar, toen het kabinet ingrepen in de hoogte en de duur van de WAO-uitkeringen aankondigde en uit vakbondskringen het verwijt van "diefstal' klonk. Daarbij werd gemakshalve voorbijgegaan aan het feit dat de premies van de zogenoemde werknemersverzekeringen (bij werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid) weliswaar worden opgebracht door werkgevers en werknemers, maar dat ze de Nederlandse "wig' (verschil tussen bruto loonkosten en netto loon) een recordomvang bezorgen die de arbeidsparticipatie eerder belemmert dan bevordert.

Als er al kritiek op de enquête geleverd moet worden, dan had het de vakbeweging niet misstaan op te merken dat de Kamer rijkelijk laat tot het inzicht is gekomen dat er kennelijk iets grondig mis is achter de loketten van de instanties die (wettelijk) met de uitvoering van de sociale wetten zijn belast. Want het is al jaren bekend dat de - ook door de vakbeweging scherp gekritiseerde - herziening van het sociale zekerheidsstelsel in 1987 op een faliekante mislukking is uitgelopen.

Over de oorzaken daarvan hebben de rapporten zich de afgelopen jaren al huizenhoog opgestapeld. Ze kunnen eenvoudig worden samengevat: iedereen trof schuld aan het het uit de hand lopen van met name het beroep op de Ziektewet en de WAO. Zo hebben de onderzoekers Aarts en De Jong overtuigend aangetoond dat de speelruimte van de "sociale partners' in de uitvoering van de WAO niet alleen maatschappelijk onverantwoord groot is, maar ook dat zij daarbij nauwelijks werden gehinderd door enige politieke belangstelling voor hun doen en laten. Werkgevers konden minder produktieve werknemers bij reorganisaties dikwijls probeemloos in de WAO laten glijden, een oplossing waar de laatsten (en hun belangenbehartigers) zich doorgaans wel in konden vinden omdat het financiële perspectief dan gunstiger was. Zo werden de kosten van de sanering van de beroepsbevolking afgewenteld op "het dure compromis', namelijk de gemeenschap. Hun collega-onderzoeker Van der Veen deed tezelfder tijd (eind jaren tachtig) baanbrekend onderzoek naar de "informele keuringscultuur' die de uitvoeringspraktijk domineert.

De afgelopen jaren is de politieke desinteresse voor de uitvoering van de sociale wetten geleidelijk geweken. De enquête is daar in zekere zin een uitdrukking van. Dat is hoopvol, ook voor de vakbeweging, zeker als het er uiteindelijk toe leidt dat er een transparant en doelmatig stelsel van sociale zekerheid ontstaat. De noodzaak van de "cultuuromslag' die daarvoor nodig is wordt tegenwoordig vrijwel algemeen gedeeld. Alleen de reactie van de vakbeweging op de enquête was nog van de oude stempel. Een gemiste kans de eigen rol in de tragedie achter de dijken kritisch te bezien.