Geluk bij een ongeluk

Hij wandelt en geen mens zegt hem gedag.

De Groot volgt blindelings zijn beide benen.

Soms dreigt hij met zijn stok. Als hij die dag

naar huis terugkeert is zijn huis verdwenen.

Dat ziet hij niet. De Groot is immers blind.

Dat wil niet zeggen dat hij niet kan ruiken.

Rook walmt nogal. As voelt men op de wind.

Een blind man weet zijn zinnen te gebruiken.

Hij stampvoet. Met zijn benen kan hij veel.

De Groot is altijd dol geweest op schoppen.

Dan trapte hij zijn buren groen en geel

En uit een meisjeshand de kinderpoppen.

Een blinde bouwt als eerste op zijn been

En pas als hij geen keus heeft op zijn handen.

Zijn buren haten hem. Hij is gemeen.

Ze lieten ook zijn woning rustig branden.

Zijn buren lachen nu. Ze maken grappen.

Met in zijn neus de schroeigeur van zijn huis

Voelt hij de aandrang om ze dood te trappen.

Dan ebt de drift weer weg. Hij slaat een kruis.

(Om zo zijn handen iets te doen te geven.)

Hij is bedroefd. Dit is een dag van pech.

Zijn moeders bril is in het vuur gebleven.

Zijn Lorre dood. Zijn voetenbankje weg.

De Groot wordt haast door hartewee verpletterd

Maar dan verzamelt hij zijn laatste moed

En waar zijn oor zegt dat er nog iets knettert

Gooit hij zijn stok verbitterd in de gloed.

Hij rent de straat op. Wil ook niets meer horen.

Een auto remt. Men kent het fenomeen.

Moraal

Sinds hij zijn beide benen heeft verloren

Staat hij op goede voet met iedereen.

    • Gerrit Komrij