'Filmvak glijdt af naar verregaande zelfcensuur'

VENETIË, 2 SEPT. Gisteravond is in de Sala Grande van het witte Festivalpaleis op het Venetiaanse eiland Lido de 49ste Nostra Internazionale D'Arte Cinematografica ingeluid. Het festival, het oudste ter wereld, bestaat al veel langer. Zestig jaar geleden, in 1932, werd het voor de eerste keer georganiseerd. Twee jaar later werd het herhaald, ditmaal met een competitie en een prijs: de Coppa Mussolini. Met horten en stoten en soms lange interrupties werd het een jaarlijkse gebeurtenis. De Gouden Leeuw, waar dit jaar 22 films om strijden, bestaat sinds 1950.

Als openingsfilm voor dit jaar was Raising Cain uitverkoren, van de Amerikaanse regisseur Brian De Palma. Een keuze, waarmee de nieuwe festivaldirecteur, Gillo Pontecorvo die in 1966 zelf in Venetië een Gouden Leeuw won met zijn film De slag om Algiers, vermoedelijk wil onderstrepen wat hij nastreeft. In vele interviews heeft hij het telkens opnieuw gezegd: in Venetië dient de filmkunst te worden verdedigd tegen “standaardisering, infantilisering, obsessief snelle montage en het misbruik van special effects waarachter slechts leegte gaapt. Maar, benadrukte Pontecorvo ook, dat betekent niet dat Venetië zich terug moet trekken in een artistiek verantwoord isolement. Integendeel. Deze nieuwe directeur miste de laatste jaren de jeugd op dit festival en dus schreef hij op de Italiaanse middelbare scholen een opstelwedstrijd uit. Op die manier selecteerde hij 200 scholieren. Zij zijn de gasten van het festival en aan een film als Raising Cain moeten zij kunnen zien dat toegankelijkheid en “de auteursfilm” niet innerlijk tegenstrijdig hoeven te zijn.

Het komt slecht uit dat Raising Cain een weinig bijzondere film is. De Palma keerde ermee terug naar zijn oorspronkelijke stiel: de gestyleerde horror-film rond de gespleten persoonlijkheid, het voyeurisme en suspense à la Alfred Hitchcock. Ditmaal citeert De Palma bovendien uitvoerig zijn eigen werk: Sisters, Dressed To Kill, Blow Out, van al deze films herhaalde hij de griezeleffecten, terwijl hij de slot-shock ontleende aan Carrie. Origineel is het onderwerp wel: in de overbezorgde, zwaar bij zijn kleuter betrokken New Age-vader gaat een monster schuil. Maar De Palma wil meer dan zijn publiek laten schrikken. Hij wil het ook laten lachen om een zwaar aangezette parodie. Gil en lach brengt hij niet samen, ze werken elkaar tegen.

Op zijn persconferentie waarschuwde De Palma dat de Amerikaanse filmindustrie “te hebberig” is geworden. “Experimenten zijn onmogelijk. Zelfs Raising Cain wordt als ongebruikelijk beschouwd, omdat hij zich onttrekt aan een genre. Het enige wat telt is hoeveel geld een film opbrengt en dat leidt maar tot één ding: middelmatigheid.”

Met deze uitspraak liep De Palma vooruit op de grote vergadering die Pontecorvo heeft uitgeschreven voor aanstaande zondag. Veertig filmers, onder wie Wim Wenders, Louis Malle, Costa Gavras en de schrijver Gabriel Garcá Marquez zullen dan discussiëren over de noodzaak van de vrijheid waarin filmers kunnen werken “zoals schrijvers, schilders en beeldhouwers.”

Pontecorvo ziet het filmvak “al veertig jaar afglijden” en vreest dat de zelfcensuur nu zover gevorderd is dat “als Eisenstein zou terugkeren, hij de films die hij heeft gemaakt nooit meer zou aandurven. Hij zou niet eens meer op het idee komen.”

Eveneens specifiek samengesteld om een jonger publiek te trekken, is het programma “Venetiaanse nachten”: iedere avond om half twaalf wordt er een film vertoond die ook moet demonstreren hoe aantrekkelijk en meeslepend de niet-Hollywood-film kan zijn. De nieuwe film van (jurylid) Neil Jordan wordt daar vertoond en ook de verfilming van Louis Paul Boons roman Pieter Daens.

Het hoofdprogramma bevat meer bekende namen dan in Venetië gebruikelijk is, al kan geen van die namen worden verbonden met behaagzucht. Na Raising Cain was Un coeur en hiver van Claude Sautet aan de beurt, een teleurstellend, langgerekt psychologisch drama rond een man die zijn winterkoude hart tevergeefs probeert te ontdooien en daarbij een vriend en diens minnares ernstig kwetst. Een strenge film die kil vertelt wat juist ons warme medeleven had moeten oproepen.

Alleen al door zijn omvang indrukwekkend is de afleveringsgewijze presentatie (dagelijks twee delen) van Die Zweite Heimat, een serie van dertien speelfilms (in totaal tegen de 26 uur lang) die Edgar Reitz maakte als een complement van zijn eigen elfdelige serie Heimat (1984). Bleef hij in Heimat bij de mensen in hun dorp op het Duitse platteland, nu gaat hij mee met de jongeren, die de grote stad verkiezen als “tweede vaderland”. “Chronik einer Jugend” is de ondertitel van de filmserie en dat is een jeugd die duurt van 1960 tot 1970. Ik zag tot nu toe de wat taaie eerste twee delen, de vijfde en de zesde film: spannend, lichamelijk en met een even beklemmend als intensief beeld van de felheid waarmee in het na-oorlogse Duitsland werd gestreden op de richels van de generatiekloof. Opnieuw weet Reitz op een natuurlijke, onbegrijpelijk vanzelfsprekende wijze kleurenfilm af te wisselen met zwart-wit materiaal. Opnieuw toont hij aan dat rust en aandacht net zo attractief kunnen zijn als de videoclip-montage waar festivaldirecteur Pontecorvo zo het land aan heeft.