De Pont toont nieuwe kunst in oude Tilburgse spinnerij

In een voormalige spinnerij in Tilburg opent 13 september een unicum op kunstgebied: De Pont, stichting voor hedendaagse kunst. De verbouwde fabriekshal biedt de bezoeker de tijd en de ruimte om met de tentoongestelde werken werkelijk vertrouwd te raken.

De Pont, stichting voor hedendaagse kunst, Wilhelminapark 1, 5041 EA Tilburg, tel. 013-438.300, di. t/m zo. 11-17u. Tentoonstelling 13 sept. t/m 31 jan.

Drie jaar geleden beschikte de jonge De Pont Stichting over geld en goede wil, meer niet. Vlak voor zijn overlijden had Jan de Pont, advocaat en importeur van Mercedes-Benz, een deel van zijn vermogen bestemd voor het “ondersteunen van kunstenaars uit binnen- en buitenland door aankopen, tentoonstellingen en publikaties”. Maar welke kunstenaars ondersteund moesten worden, dat wist nog niemand. Huisvesting was er niet, laat staan een collectie.

Vanaf 13 september is te zien wat de stichting en haar directeur sinds begin 1989,Hendrik Driessen, in een voormalige spinnerij in Tilburg met dat geld en die goede wil tot stand hebben gebracht. Op de openingstentoonstelling zijn twintig kunstenaars vertegenwoordigd, van wie negen Nederlanders en daarnaast buitenlanders van wereldfaam als Richard Serra, Robert Ryman, Richard Long en Anish Kapoor.

Driessen (40), voorheen conservator van het Stedelijk Museum in Amsterdam en adjunct-directeur van het Van Abbe Museum in Eindhoven, wil "het De Pont' liever geen museum noemen. “Een particuliere instelling als deze kan zich een zekere eenzijdigheid veroorloven. We doen ook niet mee aan de tentoonstellingskoorts. We volgen een beperkt aantal persoonlijkheden gedurende langere tijd. De tentoonstellingen duren dan ook ongeveer vier maanden, waardoor het publiek alle tijd krijgt om met het werk vertrouwd te raken. Het "De Pont' zal zijn succes ook niet zozeer afmeten aan de bezoekersaantallen als aan de intensiteit van hun ervaring hier.”

Toen het stichtingsbestuur op aanbeveling van voormalige directeur van het Stedelijk Edy de Wilde Driessen om een beleidsplan verzocht, stond het voor hem vast dat hij zich niet tot zijn eigen generatie wilde beperken en evenmin tot een bepaalde stroming. “Liever laat ik de grote verscheidenheid aan vormen en houdingen zien van waaruit kunst ontstaat - van het getier en gesmeer van Arnulf Rainer tot en met de geconcentreerde stilte van Robert Ryman.” Het De Pont verstrekt weliswaar geen subsidies, maar nodigt kunstenaars uit om in het gastatelier te werken. De eerste was Marc Mulders, die nu ook deelneemt aan de openingstentoonstelling.

De behuizing van het De Pont, een fabriekshal van zestig bij zeventig meter, nodigt ertoe uit om kunstwerken als "sweeping statements' in de ruimte op te stellen. Bij het verzamelen en tentoonstellen wordt dan ook een accent gelegd op grote, ruimtelijk veeleisende kunstwerken die elders moeilijk een plek kunnen vinden. Zo is voor een lichtinstallatie van James Turrell een speciale zaal in de grote hal ingebouwd. De Duitse kunstenaar Wolfgang Laib kreeg de beschikking over een bijgebouw om er een zeven meter lange gang in te bouwen, die van onder tot boven en over zijn volle lengte is bekleed met zoetgeurende panelen van bijenwas.

De voormalige wolhokken langs één muur van de hal worden ook als expositieruimte gebruikt, soms voor intieme opstellingen van tekeningen, dan weer voor installaties. Rosemarie Trockel bijvoorbeeld heeft de wanden bekleed met emaille panelen met een grillig patroon van kookplaten. Vlak ernaast heeft Anish Kapoor zijn kabinet zo donker als een diepblauwe nacht gemaakt; pas na enige tijd turen in de duisternis kan het oog de enorme bol onderscheiden die in de ruimte hangt.

“Voor mij stond het vast dat als de stichting een collectie wilde opbouwen, daar ook een eigen gebouw bij hoorde,” zegt Driessen. Op zoek daarnaar wist Jan de Ponts zoon, zelf bestuurslid van de stichting, zich te herinneren dat in de nalatenschap ook een voormalige wolspinnerij zat die De Pont in de magere jaren zestig financieel had gesteund. “Dit was niet alleen goedkoper dan nieuwbouw,” zegt Driessen, “maar een oude fabriek biedt ook heel speciale, wisselende atmosferen die je in de meeste musea niet zult aantreffen.”

Voor het verbouwen van de leegstaande fabriek tot kunstcentrum schakelde de stichting de architecten Benthem Crouwel in, die Museum Overholland hadden ingericht. Zij hebben zo veel mogelijk het industriële karakter van de fabriek gerespecteerd. Er is een nieuwe doorgang gemaakt, waardoor de bezoeker direct bij binnenkomst een gevoel krijgt voor de dimensies van het gebouw. In de hal zijn bij het inbouwen van de wanden de stalen kolommen vrijgehouden om de structuur van die weidse ruimte zichtbaar te houden.

Naast de grote hal van 4200 vierkante meter loopt een bakstenen gang, waar de zogenaamde "eerste wolbewerking' plaatsvond. Hier zijn de wanden alleen schoongemaakt - nog altijd is een enkel spoor te zien van het vet dat uit het wol sijpelde - en zelfs de oude buizenputten zijn opnieuw gebruikt voor de vloerverwarming. Bijzonder mooi is de muur die rond het nieuwe gazon is opgetrokken: door kleine ruimtes tussen de bakstenen open te laten wordt de muur half doorzichtig, een soort kant van steen. Het De Pont was voor de gemeente Tilburg aanleiding Benthem Crouwel te vragen een stedebouwkundig plan voor dit deel van de stad te maken.

In drie jaar tijd heeft Driessen in overleg met zijn bestuur en naaste medewerker, conservator Wilma van Asseldonk, een veertigtal kunstwerken gekocht. Van het werk dat nu te zien is, komt ongeveer een vijfde uit eigen bezit; dat moet veel meer worden, vooral de speciaal voor De Pont vervaardigde werken zoals Richard Longs Mud Drawing. Behalve dat dit “enige jaren zal vergen” laat Driessen zich verder niet uit over het aankoopbudget.

Van de twintig kunstenaars die in deze eerste "geloofsbelijdenis' vertegenwoordigd zijn, hebben de meesten vooraf Tilburg bezocht. Sommigen, zoals Ryman, hebben werk uit eigen collectie of via hun galerie in bruikleen afgestaan. “Het vertrouwen is gegroeid, maar het begin was niet eenvoudig,” zegt de directeur. “Men vroeg zich af: wie is Driessen, wie was De Pont, waar ligt Tilburg? Ik ben daarom al die kunstenaars gaan opzoeken en heb geprobeerd mijn eigen enthousiasme over te dragen. Het zou Jan de Pont ook plezier doen om te weten dat de hedendaagse kunst die met zijn legaat wordt gekocht, juist in dit gebouw wordt tentoongesteld. Het is een verzameling in wording. ”