Analisten naarstig op zoek naar verklaring voor nieuw dieptepunt van dollar; Reagans geest waart rond op valutamarkt

ROTTERDAM, 2 SEPT. Gisteren daalde de dollar tot onder de 1,39 D-mark (onder de 1,57 gulden). Vanmorgen gingen er in Europa nog enkele tienden pfennig van de Amerikaanse munt af. De voorspelde 1,35 D-mark voor een dollar, die vorige week onder valataspecialisten circuleerde, komt gestaag naderbij. Officiële cijfers over de Amerikaanse economie zijn tot vrijdag, wanneer de Amerikaanse werkloosheidscijfers bekend worden, relatief schaars.

In de tussentijd lijkt op de valutamarkten alles te worden aangegrepen om duidelijkheid te krijgen over de loop van de koers van de dollar tegenover de D-mark. Een somber economisch vooruitzicht over de VS van de Amerikaanse Associatie van Inkoopmanagement, toch niet het meest prestigieuze instituut, had gisteren meer invloed op de dollarkoers dan de jongste cijfers van het Amerikaanse ministerie van handel, dat een tegenvallende stijging van de Amerikaanse economische index met 0,1 procent presenteerde.

De onzekerheid over de dollarkoers maakt de valutamarkt extra gevoelig voor allerhande theorieën. Zo overheerste vanmorgen de mening dat de dollarkoers zou stijgen wanneer Bush in de opiniepeilingen op Clinton zou inlopen, terwijl vorige maand nog sprake was van een theorie die het tegengestelde beweerde. Maar niet alleen de huidige en de wellicht toekomstige Amerikaanse president hebben invloed op de dollarkoers. Op de valutamarkten waart sinds vorige week de geest weer rond van Ronald Reagan.

De Duitse variant van Reaganomics lijkt op dit moment de meest populaire voorspellende factor voor de dollarkoers. De ongekend hoge koers van de dollar onder Reagan wordt vergeleken met de hoge D-mark nu. Analisten verwijzen met de term Reaganomics naar het Amerika van de eerste helft van de jaren tachtig, toen in de Verenigde Staten de overheid op straffe van een groeiend budgettekort de lasten verlaagde en enorme bedragen in de Amerikaanse economie pompte. Tegelijkertijd waren de monetaire autoriteiten in de ban van de strakke monetaire politiek die werd genspireerd door de beginselen van de monetarist Milton Friedman. Hoge rente en een rem op de geldhoeveelheid zorgden voor een schaarste in dollars, terwijl de vraag naar de munt door buitenlandse investeerders, beleggers en een groeiende binnenlandse schuldenlast alleen maar steeg.

De koers van de dollar steeg als gevolg van de tweespalt tussen de regering en de centrale bank in de lente van 1983 tot 2,50 D-mark. Anderhalf jaar later doorbrak de munt de grens van drie D-mark en oversteeg begin 1985 korte tijd de 3,50 mark. Nederlanders moesten destijds bijna vier gulden neertellen voor een dollar.

De vergelijking met het Duitsland van de jaren negentig dringt zich volgens valuta-analisten gemakkelijk op. Ook gaan de sterk groeiende overheidsuitgaven gepaard met een groeiende budgettekort, terwijl de kapitaalbehoefte in Duitsland zijn grenzen nog niet heeft bereikt. De Bundesbank voert, net als de Federal Reserve Board destijds, een strakke monetaire plitiek. De mark doorbreekt - met in het voetspoor de overige Europese valuta - de ene psychologische grens na de andere. Net als toen, zo redeneert de valutahandel, is het onmogelijke niet langer onmogelijk en moet met verdere hoogtepunten van de Europese valuta tegenover de dollar rekening worden gehouden.

Reden om, nu de dollar zich onder de 1,40 D-mark bevindt, naarstig nieuwe ondergrenzen vast te stellen. Tekenend is dat vanmorgen in Londen meteen maar twee psychologische barrière werden vastgesteld. Wanneer de dollar onder de 1,3880 mark duikt en daar enige tijd blijft, dan is het hek volgens de valutahandel van de dam. Voor de zekerheid is de volgende ondergrens ook al geformuleerd. 1,3660 mag de Amerikaanse munt noteren, maar geen pfennig lager.