Zesmiljoenste woning opgeleverd; Niemand hoeft meer onder een brug te slapen

DEN HAAG, 1 SEPT. De familie Van Schijndel is terug in Helmond-Noord. Daar heeft ze eerder gewoond, 22 jaar in een rijtjeshuis. Nu hebben de Van Schijndels in dezelfde buurt een huis gekocht, de helft van twee-onder-één kap, met een tuin en een garage. Het is een tamelijk gewoon huis. Ware het niet dat het de zesmiljoenste woning in Nederland is. Koningin Beatrix ging er vandaag op visite, om deze mijlpaal in de volkshuisvesting niet ongemerkt te laten passeren.

Excellentie, luidde nog lange tijd na de oorlog de vraag, wanneer is de woningnood opgelost? De woningnood, antwoordt staatssecretaris drs. E. Heerma nu, bestaat niet meer.

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland vier miljoen woningen gebouwd, voor een deel kan beter worden gezegd: uit de grond gestampt. Gemiddeld kwam er om de tien jaar een miljoen bij. De bouwproduktie is nog lang niet gestokt; de zevenmiljoenste woning komt er ook, zij het niet meer deze eeuw.

Aan het einde van de vorige eeuw telde Nederland één miljoen woningen, die vrijwel zonder bemoeienis van het rijk waren gebouwd. Over het sanitair en andere elementaire voorzieningen viel veel te klagen. Vooral daardoor werd in 1901 de Woningwet ingesteld. In 1905 verrezen in Volendam de eerste woningwetwoningen. In 1936 werd de twee miljoen bereikt.

De woningnood in de klassieke betekenis is inderdaad opgelost. “Om het oneerbiedig te zeggen: niemand hoeft onder een brug te slapen”, zegt drs. B.G.A. Kempen, algemeen directeur van de Nationale Woningraad en indirect de grootste verhuurder van Nederland. Dat wil niet zeggen dat elke Nederlander zonder wachttijden aan een woning kan komen. Vooral in de grote steden is er een tekort aan direct beschikbare woningen. Tegenover overschotten in Zeeland en het Noorden staat schaarste in het Westen. Volgens Kempen is het niet mogelijk iedere woningzoekende een zelfstandige woning te bieden. Vooral niet aan de laagst-betaalden voor wie de prijs vaak te hoog is.

De vraag is of dat tekort via grootschalige, gesubsidieerde nieuwbouw moet worden opgevuld. "Van bouwen naar wonen' is de ondertitel van het beleid dat Heerma al een aantal jaren voert, daarin gesteund door een brede parlementaire coalitie. De optimale benutting van de bestaande woningvoorraad is een centrale doelstelling: de juiste bewoner in het juiste huis. In Arnhem bijvoorbeeld, stelde de staatssecretaris vorige week nog vast, staan 40.000 woningen die met behulp van individuele huursubsidie betaalbaar zijn voor de laagste inkomens. Deze "doelgroep' in deze stad is 32.000 mensen. Zodat er een theoretisch surplus aan goedkope woningen bestaat van zo'n 25 procent. In de praktijk worden veel van deze woningen bezet door mensen die zich een hogere huur zouden kunnen veroorloven.

Het omgekeerde komt evenzeer voor. Een gevolg is dat de laagste-inkomensgroepen relatief het meest voor het wonen betalen. Zij geven bijna 30 procent van hun inkomen aan woonlasten uit, zo heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau vastgesteld. De meeste huiseigenaren zijn zo'n 12 procent aan woonlasten kwijt.

"Doorstroming' is al vele jaren het toverwoord bij het streven de goedkope woningen voor de laagste inkomens beschikbaar te krijgen. Dat moet via een scherp toewijzingsbeleid en voorzover de nieuwbouw daaraan kan bijdragen, moet dat “strategische nieuwbouw” zijn, vindt Heerma: meer koopwoningen van omstreeks twee ton in en bij de steden. Vooral de zittende bewoners, die zo een huurwoning aan de markt zouden kunnen prijsgeven, tonen interesse.

Volkshuisvesters kijken in het algemeen met genoegen op de wederopbouw van na de oorlog terug. “We hebben in Nederland de grootste sociale-huurvoorraad in de wereld”, stelt Heerma vast. De sociale verhuurders hebben zo'n 2,5 miljoen woningen in beheer; 42 procent van de totale voorraad. Het eerstvolgende EG-land komt met 25 procent in dit opzicht niet eens in de buurt. Huurwoningen overtreffen in Nederland met 55 procent van het totaal nog altijd ruim het eigen-woningbezit. Heerma wil het aandeel van de eigen woningen, nu 45 procent, in 2000 naar 50 à 55 hebben verhoogd: “Je moet luisteren naar de woonconsument.”

Werd er maar naar de woonconsument geluisterd, verzucht drs. H.J. van Herwijnen van de Vereniging Eigen Huis. “Tweederde van de mensen heeft liever een eigen huis dan een huurhuis. Ze zijn bereid voor dezelfde woning 100 à 200 gulden aan woonlasten meer te betalen als het een eigen huis zou zijn.” Nieuwbouw vormt jaarlijks nog maar zo'n gering deel van de woningvoorraad, dat een werkelijke omslag naar eigen woningbezit pas te halen is door bestaande huurwoningen te verkopen, zegt Van Herwijnen. Hij kijkt gretig naar de huurwoningen van de woningbouwcorporaties. Ook Heerma vindt dat de corporaties meer zouden moeten verkopen. “Maar het enige instrument dat hij heeft is de overreding”, constateert Van Herwijnen. “Hij moet dwingender optreden. Een woningcorporatie zit als een rentenier op zijn centen. Dat is ook een eigen belang, woningcorporaties zijn bedrijven met een adjunct-directeur en een directeur. Als ze meer verkopen, is dat tegen dat eigen belang, hebben ze minder in stand te houden.”

Onzin, zegt Kempen, wiens Nationale Woningraad de belangen behartigt van twee derde van de woningbouwverenigingen. Als bewoners liever kopen dan huren, zal hij ze niet tegenhouden. Sterker nog: woningbouwverenigingen zullen in toenemende mate ook op de markt van het eigen-woningbezit een rol spelen, voorspelt hij. Het eigen-woningbezit zal vanzelf worden bevorderd, als aan een paar essentiële voorwaarden wordt voldaan: de voortgang van de economische groei, een rente die niet tot extreme hoogten stijgt en het waarborgen van de fiscale aftrekbaarheid daarvan.

Dat Nederland sinds vandaag officieel zes miljoen woningen telt, vindt Kempen eigenlijk nauwelijks reden om feest te vieren. Want als we niet uitkijken, keert de woningnood terug, waarschuwt hij. Hij verwijt Heerma te weinig aandacht te hebben voor dreigende tekorten. Volgens recente prognoses van het Centraal Planbureau moeten de komende 25 jaar 300.000 tot 500.000 woningen meer worden gebouwd dan tot nu toe geraamd. “We zouden eens ernstig moeten gaan nadenken over het opvoeren van de produktie”, zegt Kempen.

Heerma laat zich door dit soort mijmeringen niet van zijn geloof in de marktwerking brengen. De bouw van woningen in de vrije sector overtreft de laatste jaren telkens ruimschoots de prognose. Tot voor kort was de vraag of de huur- dan wel de koopsector van overheidswege moest worden bevorderd een kwestie van politieke overtuiging. “Die hete aardappel is nu van tafel”, zegt Heerma. Ook de verkoop van sociale huurwoningen heeft de zegen van het parlement. Corporaties zullen er niet aan ontkomen; als representant van een zich terugtrekkende rijksoverheid wil de staatssecretaris ze dan wel niet dwingen, “ze blijven natuurlijk wel achteraf verantwoording schuldig, ze worden afgerekend op prestatie”.

De demografische ontwikkelingen lijken te voorspellen dat het al bestaande tekort aan woningen voor ouderen nog fors gaat groeien. Zoals ook de nog steeds teruglopende gemiddelde woningbezetting haar invloed zal hebben. In 1980 woonden nog 2,9 Nederlanders samen onder één dak, nu is dat percentage al onder de 2,6 gezakt. In vergelijking met andere landen is dat nog steeds hoog, reden te meer om verdere daling te verwachten. Heerma aarzelt uit dit soort trends conclusies te trekken. “Wie zegt mij dat er niet een culturele omslag ontstaat, zodat het geboortecijfer omhoog gaat? Is individualisering niet een tijdelijk verschijnsel? Misschien krijg je wel een vierdaagse werkweek en wordt Friesland als woonprovincie populair.”

“Volkshuisvesting wordt wel een kwestie van beschaving genoemd”, zegt Heerma. “Die norm wil ik als ik het bijbels mag zeggen, ook graag toepassen op de vreemdeling die binnen uw poorten woont.”