Wetsvoorstel moet dubbelrol kinderrechters beëindigen

DEN HAAG, 1 SEPT. De Werkgroep kinderrechters is niet tegen een scheiding der machten, maar zij plaatst wel kanttekeningen bij de manier waarop in de toekomst de kinderbeschermingsmaatregel ondertoezichtstelling (ots) zal worden uitgevoerd.

Het kabinet is inmiddels akkoord gegaan met een wetsvoorstel van staatssecretaris Kosto (justitie) dat het aantal taken van de kinderrechter beperkt. Belangrijk punt van kritiek van tegenstanders op de huidige gang van zaken is dat de kinderrechter niet alleen de kinderbeschermingsmaatregel ots uitspreekt, maar tegelijkertijd is belast met de uitvoering ervan. Een ots is geen straf, maar is bedoeld om minderjarige kinderen die met zedelijke danwel lichamelijke ondergang worden bedreigd, te beschermen. Onderdeel van de maatregel is dat hulp wordt geboden aan de betrokken ouders.

Volgens de Alkmaarse kinderrechter mr. M. Otterspoor zijn het in negentig procent van de gevallen de ouders zelf die indirect aan de Raad voor de kinderbescherming verzoeken om een ots-maatregel te bevorderen. In tien procent vloeit de maatregel voort uit signalen van de kant van de school, de politie of een vertrouwensarts.

Alvorens tot de maatregel wordt besloten, stelt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in naar de situatie in het gezin. Wanneer blijkt dat de Raad een ots noodzakelijk vindt, dient de Raad daartoe een verzoek in bij de kinderrechter die in aanwezigheid van alle betrokkenen het desbetreffende verzoek behandelt en een beschikking geeft. Het komt ook voor dat de kinderrechter vindt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat op andere wijze hulp kan worden verleend. Van de gezinsvoogd wordt verwacht dat hij elk kwartaal schriftelijk verslag uitbrengt aan de kinderrechter die de ots heeft uitgesproken. In de nieuwe opzet waarbij de kinderrechter niet langer meer belast zal zijn met de uitvoering van de ots, komt deze pas weer in het vizier wanneer de maatregel wordt beëindigd danwel moet worden verlengd.

Hoewel Otterspoor “genuanceerd voor” het wetsvoorstel is zoals dat nu voor advies bij de Raad van State ligt, plaatst ze wel kanttekeningen. “Nu maak ik al regelmatig mee dat er niet of gewoon te weinig wordt gerapporteerd door de gezinsvoogd terwijl hij daartoe wel verplicht is. Ook is bijvoorbeeld de kennis van het (jeugd)strafrecht in kringen van gezinsvoogdij-instellingen niet erg groot. Daar zullen straks echt veel meer juristen moeten worden aangetrokken. En ook psychologen en orthopedagogen. Als de deskundigheid maar optimaal wordt dan hoeven wij heus niet de touwtjes in handen te houden. Ik ben voor een scheiding der machten”.

Wel acht Otterspoor de vrees gegrond dat instellingen voor gezinsvoogdij te weinig afstand zullen bewaren tussen de hulpverlener en de kinderen die onder hun toezicht zijn geplaatst. “De hulpverlener komt bij mensen thuis en ontvangt op zijn bureau pupillen. De gezinsvoogd staat veel dichter bij gezinnen en kinderen, er is onvoldoende distantie. Men tutoyeert elkaar vrijwel altijd. Ik vind dat ongewenst. Je moet een zekere mate van afstandelijkheid bewaren ook al om de schijn te vermijden dat je de ene pupil voortrekt boven de andere”. En zegt ze, enige afstand is ook nodig omdat "die aardige gezinsvoogd' in situaties kan komen waarin hij gedwongen wordt impopulaire maatregelen te nemen. Nu is het eventueel nemen van maatregelen nog voorbehouden aan de kinderrechter.

Tegenstanders van de huidige situatie laken vooral de dubbelrol van de kinderrechter: rechtspreker en uitvoerder tegelijk. De scheiding tussen rechtspraak en uitvoering van de ots-maatregel wordt al sinds de jaren zeventig bepleit. De discussie kwam in een stroomversnelling toen enkele kinderrechters in opspraak kwamen wegens ontucht met minderjarigen die aan hun gezag waren onderworpen.

Volgens de Bredase kinderrechter mr. P. van Teefelen wordt wanneer de plannen doorgaan dit probleem verplaatst naar de instellingen voor gezinsvoogdij. Dan worden zij belast met een dubbelrol. “Eigenlijk hebben we nu een heel flexibel laagdrempelig systeem. Ik ben nog nooit in een conflictsituatie terecht gekomen. Klachten over de kinderbescherming zullen er altijd zijn, die horen erbij. Dat zal straks niet ophouden”. Onder hem ressorteren op dit moment ongeveer duizend ots-pupillen. Jaarlijks worden in Breda zo'n 250 tot 300 nieuwe uitspraken gedaan.

In Alkmaar staan ongeveer 650 kinderen onder toezicht. Evenals Van Teefelen heeft Otterspoor geen problemen gehad met haar dubbelrol. “Of het fout gaat hangt in grote mate van jezelf af: ik kan mij niet herinneren dat een kind mij thuis heeft opgebeld. Als ouders dat deden, zei ik altijd: u kunt morgenochtend om 9 uur mijn secretaris bellen op de rechtbank. Ik zie hen of de kinderen uitsluitend op mijn kamer in aanwezigheid van de griffier. Je mag je nooit in de omstandigheid laten brengen dat zelfs maar gesuggereerd kan worden dat je over de schreef bent gegaan”.