Theater gaat gebukt onder alledaagsheid

De Moskouse, voor het tijdschrift Teatr werkzame toneelcriticus Sergej Nikolajevitsj geeft zijn indrukken van het Theaterfestival in Den Haag.

Waarschijnlijk komt elke buitenlander die een theaterfestival in een ander land bezoekt onwillekeurig terecht in de situatie van de voorbijganger in De Kersentuin van Tsjechov. Een rol, naar bekend, bijna zonder woorden want wat moet je met woorden als het leven dat zich voor je ontrolt tijdens de korte periode van het festival geheel vreemd is. Je kent de taal niet. Je weet niets van de culturele context. Je kunt alleen afzonderlijke stemmen onderscheiden, de intonatie opvangen en een paar gezichten uit elkaar houden. Dat zijn natuurlijk fragmentarische indrukken zonder enige pretentie maar de rol van de buitenstaander biedt ook zekere voordelen. Je wordt niet gehinderd door vooringenomenheid, je hebt er geen last van dat je weet wie beroemd is en wie niet en je kunt je aandacht helemaal richten op hoe het gedaan is en je pas later door je gastheren laten uitleggen wat het eigenlijk was.

Het eerste stuk van het festivalprogramma Thyestes had geen toelichting nodig, hoewel het werk van Hugo Claus in Rusland nauwelijks bekend is en ik daarom geen oordeel kan geven over de schoonheid en de kracht van zijn tekst. De mythe van Tantalus, door de goden van de Olympus vervloekt tot in het tweede geslacht, werd door Het Zuidelijk Toneel met zeldzame theatrale expressie en kracht op de planken gezet. De eerste indruk was zelfs dat het allemaal een beetje veel was - elektronisch geluid, schelle klanken, rook, naakte lijven met rode verf, verwijzingen naar Antonin Artaud.

Deze onvermijdelijk geworden attributen van de hedendaagse tragedie-uitvoering die met vaste hand benut worden door regisseur Dora van der Groen (het was haar debuut als beroepsregisseur) hadden zelfs kunnen gaan irriteren als daar niet het prachtige spel geweest was van Jeroen Willems en Hans Kesting in de rol van de broers Atreus en Thyestes die noch macht, noch een geliefde, noch hun eigen kinderen willen delen en die net als hun vader Tantalus het slachtoffer worden van de goddelijke wraak. De mooiste momenten in het stuk zijn die waar het gaat om een meeslepend duel van persoonlijkheden waarin haat, verlangen, afkeer en tederheid met elkaar strijden. Midden in de bloederige guignol komt er plotseling een warme golf van broederliefde, een hartbrekend schouwspel dat de meest bombastische rituelen en de meest statische mise-en-scènes rechtvaardigt.

Je begrijpt dat de echte spanning in de tragedie niet door uiterlijke effecten bewerkstelligd wordt maar schuilt in de toegewijde concentratie van de acteur in de sobere precisie van de geste, de pauze en de pose, in die emotionele uitstraling die sterker werkt dan enige machinerie of elektronica. Stanislavski heeft zulk spel wel eens beschreven als “verdovend”. Dat is de manier waarop de acteurs van Het Zuidelijk Toneel spelen. Speciaal vermeldenswaard was de rol van de bode die door Elsie de Brauw gespeeld werd. De rol bestaat uit een lange monoloog over de vreselijke moord op de kinderen van Thyestes. Die spreekt zij uit terwijl zij zich moet beheersen om niet te braken en zij vergetelheid tracht te zoeken in een liefdesspel met de acteur die het koor speelt (Steven van Watermeulen). De scène schokt des te meer omdat de actrice zwanger is. Men heeft mij verteld dat Elsie over twee of drie weken moet baren en dat de dokter ertegen was dat zij zou meedoen. Maar de organisatoren van het festival stonden erop dat zij meedeed en zij hadden gelijk. We zagen een geweldige actrice die beschikt over het geheim lelijke schoonheid op het toneel te zetten. Elsie de Brauw is er niet bang voor om grof en lelijk te zijn. Het doet er niet toe hoe zij eruit ziet, het doet er niet toe wat zij zegt, je hoort de woorden niet omdat je “verdoofd” bent door die uitbarsting van wanhoop en smart waartoe, geloof ik, alleen de ziel van de vrouw in staat is.

De keuze om Platonov van Tsjechov op het festivalrepertoire te nemen vond ik onverwacht. In Rusland wordt het stuk zelden opgevoerd. Het wordt daar beschouwd als behorend tot het onrijpe beginwerk van Tsjechov. Ik moet bekennen dat de opvoering door het Onafhankelijke Toneel in de regie van Mirjam Koen mij niet heeft kunnen bekoren. De belangrijkste nieuwigheid aan het Stuk zonder titel waren de eindeloze verplaatsingen van de toeschouwers door verschillende compartimenten, speciaal afgebakend in overeenstemming met elke nieuwe scène. Maar alle pogingen van de regisseur om het leven op een ouderwets Russisch landgoed in de atmosfeer van de huidige tijd te brengen stuitten op de taaie tegenstand van Tsjechovs tekst. Je kunt nog wel wennen aan de verkeerde klemtoon waarmee de Russische namen worden uitgesproken, moeilijker wordt het met de personages, met de psychologie, met het versleten stereotype van de Tsjechoviaanse intellectueel die altoos lijdt, veel drinkt en onophoudelijk smacht. Dit stereotype de baas te worden is noch de regisseur noch de getalenteerde hoofdrolspeler Bert Luppes volledig gelukt. In hun versie lijdt Platonov door de vrouwen die hem letterlijk geen ruimte geven. Zij vervolgen hem en matten hem af met hun eisen en hun hysterische jaloezie-aanvallen. Een goede reden om je van kant te maken. Maar Platonov gaat niet te gronde aan de liefde maar aan de afwezigheid daarvan in zijn leven, dat is de weinig opmerkelijke conclusie die zich opdringt na de lange, bijna vier uur durende changementen van het Onafhankelijk Toneel.

Het klassieke liefdesdrama Het begeren onder de olmen van Eugene O'Neill treft in de vertolking van Het Zuidelijk Toneel vooral door zijn materiallisme. Koeien op de bühne, kun je je een nog minder toneelmatig schouwspel voorstellen? Maar het naturalisme van Ivo van Hove is van aparte klasse. Je voelt er de waarheid van de aardse passies en verlangens in. Er klopt de energie van het leven in die sterker is dan alle overwegingen van goede toon en smaak en die alle twijfel of zoiets wel kan op het toneel naar de achtergrond dringt. Op zijn eigen wijze is Het begeren onder de olmen perfectie die afgezien van alles een grens betekent waarna theater als kunst ophoudt. Essentieel is daarom het gevoel voor maat, een voortreffelijke kennis van alle theaterwetten die Ivo van Hove met verrassende vrijheid demonstreert.

De drie acteurs zijn geweldig. Peter van den Eede in de rol van de oude Cabot, Hilde van Mieghem als Abbie en Peter van den Begin in de rol van de stiefzoon. Onvergetelijk is het moment dat Cabot het houten kinderwiegje in de armen houdt terwijl een eenzame viool op de achtergrond speelt. En natuurlijk de finale met de eindeloze nachthemel en het geluid van een melkstraal die ritmisch in een lege emmer spuit. Dat geluid dat noch door de passie noch door de dood kan worden afgebroken.

Het meest gegrepen maar tegelijkertijd ook afgestoten werd ik door het buiten het officiële programma vertoonde Liefhebber. Het is een soort openlijke haatverklaring aan het theater. Je hoeft zelfs niet te weten dat de hoofdpersoon van het stuk toneelcriticus is om de afkeer te voelen die de auteur en regisseur van het stuk, Gerardjan Rijnders, koestert tegen alles wat op een of andere wijze de macht en de betovering van het theater symboliseert. Terwijl de held van het stuk een monoloog van een uur houdt, voltrekt zich praktisch zonder woorden de monsterlijke handeling waaraan zijn vrouw (Lineke Rijxman) en zijn zoon (Fred Goessens) deelnemen. Ik zal niet opsommen wat deze twee allemaal op het toneel uitspoken. Alles waarmee je de toeschouwers kunt shockeren, van masturbatie tot incest werd ons met schokkende onverstoorbaarheid en moed gedemonstreerd. Liefhebber is een braaktest. Als je ervoor slaagt en je hoeft niet te kotsen betekent het dat je gehard bent. Je kan dan verder rustig naar het theater. Zak je dan kun je beter thuis bij de televisie blijven.

In zijn negatie van het theater gaat Gerardjan Rijnders zo ver dat zelfs het applaus van het publiek aan het eind overstemd wordt door ondraaglijk luide muziek. Ik ken niet de drijfveren achter deze theatrale misantropie. Wellicht is het een mengeling van vermoeidheid, irritatie, persoonlijke wrok en ontevredenheid. Een ding weet ik wel. Haat is onvruchtbaar evenals het streven om tot elke prijs te shockeren. Door alle taboes te overtreden en alle normen en waarden op losse schroeven te zetten nadert het theater in Liefhebber een gevaarlijke grens waarachter geen kunst meer kan bestaan maar slechts verval, en de geur van aangebrand eten en kots in de keel. Als Rijnders dit heeft nagestreefd dan is hij aardig in zijn opzet geslaagd.

Dat waren vier stukken, geheel verschillend qua stijl en inhoud, die in geen enkel opzicht op elkaar leken. Maar één tendens is duidelijk. Het theater gaat gebukt onder het conventionele alsof het uit alle macht de magie van het spel en de illusie tracht te vergeten. De menselijke fysiologie, het leven van alledag, het naturalisme, dat is de grond waarop het theater staat, dat is de basis waarop het rust. Het lijkt wel of de cirkel rond is. Bijna honderd jaar geleden begon het Moskouse Kunsttheater ook op die manier. En de hele verdere geschiedenis is een langgerekt gevecht met alledaagsheid en naturalisme. Hebben die op het Nederlandse toneel dan toch gewonnen?

Laat ik me van definitieve conclusies onthouden, want het festival is nog lang niet afgelopen. Dat betekent nieuwe voorstellingen en nieuwe ontmoetingen die voor mij wellicht even gunstig verlopen als voor de voorbijganger uit de De Kersentuin de ontmoeting met Ranevskaja. Voor wie het stuk van Tsjechov een beetje vergeten is, herinner ik eraan dat die teerhartige landeigenares een gouden tientje kreeg.