Teleurstellende seizoensopening bij de Nederlandse Opera; Samson als een zielige schlemiel

Voorstelling: Samson et Dalila van C. Saint-Saëns door de Ned. Opera, Het Nationale Ballet en het Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. o.a. William Cochran, Catherine Keen, Philippe Rouillon, Gabor Andrasy, Pieter van den Berg. Decors en kostuums: Tom Cairns; choreografie: Aletta Collins; regie: Steven Pimlott. Gezien: 31/8 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 3, 6, 8, 11, 14, 17, 20, 23, 26/9.

Samson et Dalila van Saint-Saëns, waarmee de Nederlandse Opera gisteravond in het Amsterdamse Muziektheater het nieuwe seizoen opende, bleek nauwelijks een reden om van vakantie terug te keren. Anders dan de voortreffelijke uit Bregenz afkomstige voorstelling van Tsjaikowski's Mazeppa, die het vorige operaseizoen inluidde, is deze Bregenzer produktie uit 1988 met een totaal nieuwe cast op een aantal punten een forse teleurstelling. De beroemde aria Mon coeur s'ouvre à ta voix, waarmee Dalila haar succesvolle verleiding van Samson viert, bewees zich weer eens als uiteindelijk toch de voornaamste reden om dit werk uit te voeren.

Regisseur Steven Pimlott plaatst het bijbelse verhaal in een decor van David Cairns: een postmodern, tegelijk vaag-symbolistisch en abstract-expressionistisch samenstel van wanden en losse naturalistische objecten - destijds modieus en inmiddels déjà vu.

Formeel gezien bevat de voorstelling dezelfde oerelementen die de vormgeving van de zo indringende produkties van Pierre Audi, de artistiek leider van de Nederlandse Opera, bepalen: grond (een rots), water (een vijvertje in Dalila's "huis') en vuur (frequente bliksems).

Maar geheel anders dan bij Audi schort het bij Pimlott aan werkelijke en gedetailleerde karakterisering van de personages. Zij blijven bleke en vooral heel eenzijdige persoonlijkheden, al wordt hier van hen een totaal ander beeld gegeven dan gebruikelijk. Samson, de oud-testamentische Superman die aanvankelijk de joden verlost van de onderdrukking door de heidense Filistijnen, wordt geportretteerd als een zielige schlemiel. Zijn gestalte wordt gevormd met donzen vulkussentjes, niet door spierballen. Hij is geen partij voor de sluwe Filistijnse Dalila, die zelfs geen ware liefde voor hem hoeft te veinzen om hem te beroven van zijn weelderige, nooit gekapte haardos die de trouw aan de God der joden en zijn aan hem ontleende bovenmenselijke kracht syboliseert.

Het is een produktie die vanwege het mythische onderwerp en het uitmeten van menselijke zwakte van alle tijden heet te zijn en daarom hedendaagse trekjes heeft: de Filistijnse vrouwen steken tijdens hun surrealistische dansfeest een sigaretje op. Maar Pimlott weet aan die ook zo hedendaagse problematiek van dodelijke etnische en religieuze conflicten geen betekenis te geven. Of is het dat verwarringwekkende slot waarin hij misschien afrekent met het idee van goddelijke gerechtigheid omdat niet duidelijk is wie de tempel der Filistijnen nu doet instorten. Zijn het Samson en zijn God of zijn het de zich oppermachtig voelende Filistijnen zelf, die voor de komst van hun afgod de wanden van hun voorhal wegschuiven?

Of is de impliciete boodschap dat wij mensen - elkaar al dan niet in naam der diverse goden bestrijdend - met vereende krachten afstevenen op de apocalyps? Om met zo'n clichématig idee een emotioneel lege en - in de eerste twee actes - ook nog visueel saaie voorstelling te rechtvaardigen is mij te veel gevraagd. Bovendien is de rol van Samson rampzalig zwak bezet door William Cochran. Zijn telkens weer vocaal onmachtige optreden bewoog zich gisteren tussen miscast en wanprestatie. Veel overtuigender, zij het zeker niet groots, was Catherine Keen als Dalila. Haar weergave van Mon coeur s'ouvre à ta voix was alleszins acceptabel, tot Cochran zich weer liet horen.

Philippe Rouillon leverde in de veel kleinere rol van de Filistijnse hogepriester vocaal een prestatie van formaat en ook de nog kleinere rollen waren goed bezet: Gabor Andrasy als Abimelech en Pieter van den Berg als een zeer brave oude Hebreeër. Voor dirigent Hartmut Haenchen was het met al die ongelijksoortigheden ondoenlijk deze produktie muzikaal echte overtuigingskracht te geven. Maar dat lag zeker niet aan de kwaliteiten van de vaste krachten van de Nederlandse Opera, het prachtig zingende koor en het niet altijd perfecte Nederlands Philharmonisch Orkest.