Sociaal en Cultureel Rapport 1992; Sociaal en cultureel bureau: welvaart terug op niveau van voor recessie; De veerkracht van de verzorgingsstaat is groot

DEN HAAG, 1 SEPT. De verzorgingsstaat is de recessie van de jaren tachtig goed doorgekomen. Dat blijkt uit het vanochtend verschenen Sociaal en Cultureel Rapport 1992. Het tweejaarlijkse boekwerk met tabellen, grafieken en beleidsevaluaties is dikker dan de uitgave van 1990, maar de uiteindelijke conclusie is minder pregnant dan twee jaar geleden. "Stabilisering' is het trefwoord dat de samenstellers dit jaar hebben gekozen.

Na het "optimisme' van de editie van 1986, de "prudente progressiviteit' van 1988 en de "gunstige sociale en culturele situatie' van 1990 klinkt stabilisering iets minder positief, maar het is niet voor niets dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), een dienst van het ministerie van WVC, voor dat woord en niet voor bijvoorbeeld "stagnatie' heeft gekozen. Crisisverschijnselen zijn uitgebleven, liberalisering en tolerantie schrijden voort, de bevolking verkeert in goede gezondheid en de welvaart bevindt zich weer op het niveau van voor de recessie. Kortom: de veerkracht van de verzorgingsstaat is groot.

Met dergelijke analyses van de middellange termijn biedt het rapport van het SCP een nuttig tegenwicht voor diagnoses van de tijdgeest die het van een veel beperkter blikveld moeten hebben. De onderzoeksgegevens waar het SCP zich op baseert bestaan uit tijdreeksen die een periode van 25 jaar beslaan en dat wil nog wel eens relativerend werken.

Het bureau heeft deze keer vooral naar ongelijkheid en achterstand gekeken. Die zijn te vinden, maar schrijnend zijn de verschillen tussen de bevolkingsgroepen allang niet meer. De inkomensverschillen in Nederland zijn kleiner zijn dan waar dan ook, al is er de laatste jaren weer sprake van enige denivellering. In de woningvoorziening en het onderwijs is aan de positie van achtergebleven groepen veel aandacht gegeven. En al wordt er discussie gevoerd over onderwerpen als stelselherziening, beperking van de WAO-instroom en eigen risico's in de gezondheidszorg, het bestrijden van achterstanden blijft een van de meest karakteristieke kenmerken van de verzorgingsstaat.

Zo nu en dan komt dat kenmerk in conflict met een ander geliefkoosd principe: de meritocratie, het idee dat sociale positie afhankelijk moet zijn van prestaties en capaciteiten. In het onderwijs is dat conflict volgens het SCP goed te zien: de verzorgingsstaat schept voor iedereen gelijke kansen, maar kan tegelijkertijd maar moeilijk accepteren dat sommigen daar meer van maken dan anderen. In die ongelijkheden ziet menige beleidsmaker een nieuwe uitdaging, en zo tekenen zich steeds weer nieuwe doelgroepen voor beleid af.

Voor het stelsel waarin een flink deel van de belastingopbrengst wordt overgedragen aan ouderen, werklozen en arbeidsongeschikten bestaat overigens nog steeds een brede steun - al is de bereidheid om mee te betalen aan nog hogere uitkeringen zo langzamerhand gering.

Maar hoe breed het maatschapelijk draagvlak ook mag zijn, het economisch draagvlak wordt smaller. Aan het begin van de jaren zeventig stonden er nog 45 inactieven tegenover 100 actieven. Sinds enkele jaren zijn het er 86. Dat getal blijft stabiel, maar, zo merkt het SCP op, gezien het economisch herstel had men mogen verwachten dat het er onderhand minder zouden zijn. De toename van het aantal werkenden is teniet gedaan door een nog steeds groeiend leger van mensen dat van een uitkering afhankelijk is.

Dat is een zorgelijke ontwikkeling, en wie zich de scenario's voor de geest haalt die het Centraal Planbureau onlangs heeft opgesteld, weet dat het nog erger wordt. Vooral door de vergrijzing zal de verhouding inactieven-actieven zich in ongunstige zin blijven ontwikkelen. In het ergste geval zitten we al in 2005 met bijna 120 inactieven tegenover 100 actieven. In het gunstigste geval daalt het inactieven-cijfer tot onder de tachtig, maar dan moet ook alles meezitten.

De scenario's verschillen van elkaar in de mate waarin met economische groei rekening wordt gehouden, maar ze zijn het er alle over eens dat een volumebeleid onontkoombaar zal blijken te zijn. Het rapport heeft voor het tot dusverre gevoerde WAO-volumebeleid weinig goede woorden over; het spreekt over reactief en onsystematisch handelen en van politici die "aan alle knoppen tegelijk draaien'.

Daarmee is het rapport weer op vertrouwd terrein. Twee decennia van beleidsanalyse hebben de onderzoekers van het SCP geleerd dat beleid maar zelden het rationele en doordachte handelen is dat politici graag voorgeven dat het is. Politieke dadendrang, misplaatst optimisme en hardnekkigheid vormen voor veel beleid een betere verklaring dan een koele analyse van de problemen en een scherpe calculatie van de te verwachten effecten. Twee jaar geleden sprak het SCP over "overproduktie van beleid', en ook in deze editie duikt dat begrip weer op - en er is nog weinig verbeterd.

Terloops wordt in het rapport de wenselijkheid van beleidsevaluatie ex ante genoemd: het zo goed mogelijk vooraf bepalen van de effectiviteit van regelingen en maatregelen. Het is een aardig idee. Ook als beleid nog papier is, valt vaak al te constateren dat er nogal wat aan schort. De beleidsdoelen zijn niet duidelijk onder woorden gebracht, de uitvoerende instantie blijft ongenoemd of het voorgestelde beleid houdt geen rekening met ander beleid. Een dergelijke afweging-vooraf is de taak van het parlement, maar de Tweede Kamer is te hecht met de produktie van beleid verbonden om de vereiste distantie op te brengen. De Eerste Kamer komt eerder in aanmerking, maar mist de benodigde slagkracht. De Rekenkamer heeft van oudsher meer een repressieve taak en de SER is verdeeld. Wie zou het dan moeten doen? “Het geeft niet wie het doet, als die functie maar ergens wordt ondergebracht”, zegt C. van Praag, een van de topmensen van het bureau. “Maar het zou best bij ons kunnen.”