Sociaal en Cultureel Rapport 1992; Schrijnende verschillen nagenoeg verdwenen

DEN HAAG, 1 SEPT. De veerkracht van de Nederlandse verzorgingsstaat is groot. Schrijnende verschillen tussen bevolkingsgroepen zijn er nauwelijks meer, maar het bestrijden van achterstanden blijft een van de meest opvallende kenmerken van de verzorgingsstaat. Dit streven stuit echter niet alleen op geldgebrek, maar ook op het probleem dat niet iedereen gebruik maakt van gelijke kansen.

Dit blijkt uit het nieuwe, ruim 500 pagina's dikke Sociaal en Cultureel Rapport, dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vanmiddag heeft gepubliceerd. Daaruit komt ook naar voren dat dertigers en veertigers het de afgelopen jaren aanzienlijk drukker kregen. Niet alleen werken vrouwen vaker en langer, ook mannen besteden nu meer tijd aan betaalde arbeid dan in 1985. Mensen ouder dan 50 jaar werken daarentegen minder, zodat de betaalde arbeid zich steeds meer ophoopt in de groep 20-50-jarigen.

Kinderen uit lagere milieus volgen weliswaar vaker hoger onderwijs, maar die stijging is ook in de hogere milieus zichtbaar. Ook komen hoger opgeleiden vaker in lagere functieniveaus terecht dan vroeger. De kansen op de arbeidsmarkt voor kinderen uit lagere milieus worden er per saldo niet beter op. Het beleid om dat te veranderen blijkt niet erg effectief, concludeert het SCP.

Hoewel volgens de SCP-cijfers minder mensen het slachtoffer worden van veel voorkomende criminaliteit (36 procent in 1984, 33 procent in 1990), vindt bijna 90 procent van de bevolking dat de criminaliteit nog steeds stijgt. Ook onder hoger opgeleiden en in linkse kring maakt men zich nu meer zorgen.

Sinds 1985 wordt veel minder romantisch gedacht over het huwelijk. Meer dan de helft vindt tegenwoordig echtscheiding toelaatbaar als er nog kleine kinderen zijn. Voor 'slippertjes' bestaat echter nu minder tolerantie dan in de jaren zeventig.

Het opinieklimaat jegens de sociale zekerheid liet vorig jaar een kentering zien, maar de steun voor de sociale zekerheid is nog steeds groot. Steeg tussen 1985 en 1989 het percentage Nederlanders dat vond dat “de sociale uitkeringen moeten stijgen” van 34 naar 57 procent, in 1991 was nog slechts 35 procent die mening toegedaan. Van de ondervraagden vond 49 procent dat de uitkeringen gelijk moeten blijven; 17 procent stemde voor lagere uitkeringen.