Sociaal en Cultureel Rapport 1992; NORMEN EN WAARDEN; Nederlanders tevreden maar pessimistisch

Nederlanders vinden een goede gezondheid het belangrijkst in het leven. Ze zeggen tolerant te staan tegenover minderheden en werkende vrouwen. Ze denken dat de welvaart zal verminderen, maar negen van de tien Nederlanders vinden dat ze het zelf nog steeds goed hebben.

- De laatste jaren zijn de Nederlanders weer wat pessimistischer gestemd over ontwikkeling van de economie. Sinds 1989 is er een snelle afname te zien van het aantal mensen dat gelooft dat de welvaart aanhoudt en dat de inkomens en de uitkeringen gelijk zullen blijven of zullen stijgen.

- Niettemin zijn de meeste Nederlanders van mening dat ze het zelf goed hebben. Negen van de tien vinden dat er in het eigen gezin en in de samenleving als geheel welvaart heerst.

- De steun voor een verdere stijging van de overheidsuitgaven is na 1989 snel afgenomen. Tegenover uitgaven voor openbare voorzieningen (onderwijs en woningbouw) staat het publiek iets sympathieker.

- Nederlanders vinden in toenemende mate een goede gezondheid het belangrijkste in het leven. "Een leuk gezin' komt op de tweede plaats. De waardering voor "Een goed huwelijksleven' en "een sterk geloof' is sinds 1966 geleidelijk aan het afnemen.

- Opvattingen over het huwelijk zijn vanaf 1965 sterk gederomantiseerd. In 1965 vond 40 procent van de bevolking bewust gekozen kinderloosheid te billijken, in 1990 was dat al bijna 90 procent. De mening dat ongehuwden ongelukkiger zijn dan gehuwden heeft snel terrein verloren. Nu is al 90 procent het met die stelling oneens (was 20 procent in 1965). Iets meer dan de helft van alle Nederlanders vindt nu dat echtscheiding toelaatbaar is als er nog kleine kinderen zijn.

- Voor "slippertjes' bestaat minder tolerantie dan in de jaren zeventig. Ongeveer eenderde van alle Nederlanders vindt nu dat huwelijkse ontrouw in bepaalde gevallen te rechtvaardigen is. In 1975 was nog de helft die mening toegedaan.

- Opvattingen over de rolverdeling tussen man en vrouw veranderen in een rustig tempo en in de richting van een meer gelijke verdeling. De Nederlanders hebben steeds minder bezwaar tegen werkende moeders. Ook als de kinderen daarvoor naar een crèche zouden moeten, is zestig procent van de bevolking er niet tegen. Het aandeel huisvrouwen dat niet buitenshuis wilde werken, daalde van 58 procent in 1985 naar 49 procent in 1991.

- Tegenover minderheden tonen Nederlanders zich opvallend tolerant. 55 procent zegt geen enkel bezwaar tegen buren van een ander ras te hebben, 72 procent heeft geen bezwaar tegen kinderen van gastarbeiders in dezelfde klas als de eigen kinderen en 82 procent accepteert gastarbeiders en Surinamers als collega's. Deze uitkomsten bevinden zich al jarenlang op ongeveer hetzelfde niveau; ze weerspiegelen voor een deel de neiging om een sociaal gewenst antwoord te geven.

- Bij kwesties als ontslag, promotie en woonruimte is driekwart van de bevolking voor gelijke behandeling van Nederlanders en buitenlanders. In de periode 1989-1991 is de neiging om Nederlanders toch te bevoordelen echter weer iets gegroeid.