Sociaal en Cultureel Rapport 1992; GEZONDHEIDSZORG EN WONEN; Gezondheid lagere inkomens slechter

De gezondheidstoestand van de bevolking als geheel heeft een hoog peil bereikt, maar tussen verschillende sociaal-economische groepen bestaan hardnekkige verschillen in gezondheid.

- Mensen uit lagere sociaal-economische milieu's hebben over het algemeen een iets slechtere gezondheid. Die achterstand bestaat al lang en is moeilijk in te lopen. De oorzaken liggen vermoedelijk bij een reeks van slechte leefgewoonten, gecombineerd met ongunstige leefomstandigheden. Zo roken mensen uit lagere milieus meer en zijn ze vaker te zwaar dan mensen uit hogere milieu's.

- De zorg van (ex-)patiënten in de eigen omgeving is sterk uitgebreid en geïntensiveerd. Daarbij valt het op dat vooral hulpverleners die traditioneel tot de gezondheidszorg behoren, in aantal toenamen. Hulpverleners uit het veld van de maatschappelijke dienstverlening (gezinsverzorgsters, kraamverzorgsters en maatschappelijk werkers) namen in aantal af, terwijl hun hulp steeds meer wordt ingeroepen.

- Ongeveer 11 procent van de bevolking verzorgt een of meer personen buiten het eigen huishouden in verband met ziekte of handicap. De omvang van deze "informele zorg' is tussen 1975 en 1990 nagenoeg gelijk gebleven. Ongeveer een kwart van de bevolking zegt bereid te zijn om langdurige hulp te geven aan een van de naaste familieleden als deze hulp nodig zou hebben.

- Ziekten worden steeds korter in ziekenhuizen behandeld. De gemiddelde verpleegduur in algemene ziekenhuizen daalde van 13,5 naar 11,3 dagen.

- Het aantal plaatsen in verpleeghuizen en bejaardenoorden bleef duidelijk achter bij de demografische ontwikkeling. Er is wel meer dienstverlening gekomen door bejaardenoorden aan zelfstandig wonende ouderen.

- De overheid trekt zich terug uit de volkshuisvesting en probeert het beleid te beperken tot de lagere inkomensgroepen. Er wordt naar gestreefd deze groepen in goedkope woningen te huisvesten om de aanspraak op huursubsidie te kunnen beperken. De overheid heeft echter niet de middelen om huishoudens met een hoger inkomen in een relatief goedkope woning tot verhuizen te bewegen.

- Mensen met een minimaal inkomen wonen niet in de slechtste woningen, maar hebben relatief wel hoge woonlasten. Pas in de bovenste helft van de inkomensverdeling neemt de kwaliteit van de woning toe met het inkomen.

- Het aandeel van de lagere inkomensgroepen dat een groot deel van het inkomen kwijt is aan woonlasten, is in de jaren tachtig fors toegenomen. Deze woonlastenquote bedraagt bij de laatste inkomensgroepen in de huursector bijna 30 procent, waarbij al rekening is gehouden met huursubsidie.

- De veranderingen in het huur- en subsidiebeleid, die het gevolg zijn van de Tussenbalans uit 1991, zullen ertoe leiden dat de woonlasten van huurders verder toenemen.

- Het aandeel alleenstaanden in stadsvernieuwingsgebieden is hoog, daarnaast is er een toename van de leeftijdsgroep tussen 25 en 55 jaar. De lagere inkomensgroepen zijn oververtegenwoordigd. Tegelijk is er een concentratie van jongere, goed opgeleide mensen voor wie de inkomensperspectieven niet slecht zijn.

- Bewoners van flatwoningen verhuizen veel vaker dan mensen in eengezinswoningen. De samenstelling van deze twee groepen is zeer verschillend: in de flatwoningen concentreren zich vooral jongere en oudere alleenstaanden en etnische minderheden.

- Op gemeentelijk niveau krijgen zowel gemeenten als woningcorporaties meer eigen verantwoordelijkheid en zijn ze meer dan voorheen op elkaar aangewezen. In veel gevallen sluiten zij overeenkomsten, waarbij de bewoners echter in belangrijke mate buitenspel staan.