Slechtste omstandigheden maken grootste kampioen

De US Open, the greatest tennisshow on earth, vormt één groot anachronisme. Een Grand-Slamtoernooi dat geteisterd wordt door verstopte toegangswegen, slechte faciliteiten voor deelnemers en bezoekers, lawaai, rommel en stank. Een tennispark dat blijkbaar zoveel afkeer oproept dat de Amerikaan Kevin Curren ooit uitriep: “Ze moesten er een atoombom op gooien”.

NEW YORK, 1 SEPT. Voor Jimmy Connors betekenen de Amerikaanse tenniskampioenschappen op Flushing Meadow zo ongeveer het paradijs. Hij heeft zich het afgelopen weekeinde in een luxueuze suite van één van Manhattans meest exclusieve hotels uitgebreid door de media laten uithoren hoe een bijna 40-jarige veteraan (Connors is morgen jarig) er in geslaagd is als geen ander zijn naam te verbinden aan de US Open, dat hij in totaal op drie verschillende baansoorten vijf keer in zijn loopbaan heeft gewonnen.

Maar Connors behoort tot de happy few, ziet nog steeds het liefst bloed aan het net en bemerkt als rechtgeaarde straatvechter geen verschil tussen het asfalt van Brooklyn of Queens, waar Flushing Meadow is gebouwd. Hij is van de bad boy getransformeerd in de absolute lieveling van het Amerikaanse publiek dat vorig jaar van de US Open een Connors Open maakte. Hoe chaotischer de omstandigheden, des te nadrukkelijker manifesteren de heldendaden zich van James Scott Connors. Waar een aantal andere van zijn kapitaalkrachtige collega's in villa's op Long Island of zelfs Connecticut de concentratie zoekt voor het slopende toernooi in New York, zit Connors ook privé in de drukte gedurende het evenement.

Evenals de meeste spelers trouwens die geen keus hebben. Een groot aantal is ondergebracht in het Loews hotel, waar ook de pers verblijft. Een lokatie in Manhattan waar een nabijgelegen brandweerkazerne en een politiebureau van het 75th prefect in volstrekte harmonie vierentwintig uur per dag een pandemonium veroorzaken die als voorbereiding bij andere toernooien ondenkbaar is.

Het zijn geen omstandigheden die bevorderlijk zijn voor de prestaties maar in feite sluiten ze naadloos aan op het toernooi van Flushing Meadow. Er liggen plannen op de tekentafel om voor 180 miljoen dollar een nieuw complex te bouwen met drie stadions, voor meer toeschouwers en voorzien van skyboxen en alle luxe. Met drie maal zoveel parkeerplaatsen en vier keer zoveel toiletten als op het huidige complex, dat volledig uit zijn voegen barst. Maar Queens ligt dwars. Het district dat voornamelijk wordt bewoond door de lagere middenklasse heeft weinig boodschap aan een poenerig tennisevenement en heeft eigenlijk nooit begrepen waarom de US Open in 1978 is verhuisd van de chique West Side Club op Forest Hills naar Queens. Amerika's ideale schoondochter Chris Evert sprak in 1979 in bedekte termen al schande over de verhuizing met de opmerking: “De US Open heeft op Flushing Meadow toch iets van zijn stijl verloren”.

Het is echter het vrijblijvende geneuzel waar de Amerikaanse tennisbond ook niet veel wijzer van wordt. Want de laatste twaalf dagen van de US Open op Forest Hills gaven ook weinig reden tot applaus. Er werd een toeschouwer door een sluipschutter in zijn been geschoten, het publiek kon de tribunes niet beklimmen vanwege anti-apartheidsdemonstraties, er was een bommelding in de kleedkamer van de vrouwen.

Zuiverder is derhalve te stellen dat incidenten nu eenmaal inherent zijn aan de US Open, het laatste Grand-Slamtoernooi van het jaar, waar de bekakte sfeer van Wimbledon of de chique omgeving van het Bois de Boulogne op Roland Garros in Parijs volslagen naar de achtergrond wordt verdrongen door de chaos van New York. Waar de televisie regeert, daardoor superwinsten worden gemaakt, maar waar op de deelnemers zowel fysiek als psychisch een aanslag wordt gepleegd die bij hen een hardnekkige aversie tegen het toernooi heeft doen postvatten.

Kabaal makend, doorlopend etend en drinkend, zoeken de duizenden toeschouwers toeschouwers door de nauwe gangen hun weg naar de tribunes. Daar eenmaal gearriveerd schreeuwt en kakelt men vrolijk verder. Het "quiet please' van Wimbledon heeft op Flushing Meadow een karikaturale betekenis. Spelers weten nooit wanneer ze de baan op moeten. Op de dag voor de finale is het programma met twee halve finales bij de mannen en de daar tussengepropte finale van de vrouwen zo overladen dat de deelnemers absoluut niet meer weten waar ze aan toen zijn. De ene finalist die betrekkelijk snel klaar is met zijn halve finalewedstrijd is enorm in het voordeel ten opzichte van zijn tegenstander die op zaterdagavond nog zeer laat bezig kan zijn.

Maar de televisie en het geld regeren de US Open, het enige toernooi waar de vrouwen een gelijke beloning krijgen als de mannen, dit jaar 500.000 dollar voor de winnaar. Voor de gewone fans is de US Open al lang een US Closed omdat kaarten grotendeels alleen via de sponsorkanalen te bemachtigen zijn of voor meerdere dagen moeten worden gekocht. Een groot kennerspubliek levert dat niet op. Maar die toeschouwers komen geheel naar Amerikaanse maatstaven niet zozeer voor het tennis maar voor het gevecht. Een soort afspiegeling van het eigen dagelijkse leven, want verliezers tellen ook in de normale maatschappij niet mee in de Verenigde Staten. Slechte omstandigheden vormen op Flushing Meadow daarom misschien ook wel het beste decor omdat de meestal vochtige nazomerhitte en beledigingen en toejuichingen van het publiek, dat de spelers constant uit hun concentratie haalt, wellicht de beste graadmeters zijn om te zien wie de grootste kampioen is. Af en toe wordt een uitzondering gemaakt. Zoals in 1990 toen burgemeester David Dinkins voor veertien dagen per jaar heeft verboden dat de aanvliegroute van het vliegveld La Guardia recht over het centrecourt van het Louis Armstrong Stadium voert.

Niettemin kan niemand die zich proftennisser noemt het zich permitteren weg te blijven op de US Open. Heeft Wimbledon ieder jaar afzeggingen van spelers die vinden dat ze niets op gras te zoeken hebben, voor de gravelhaters geldt voor Roland Garros hetzelfde, op de US Open is die vraag niet aan de orde. Er wordt gespeeld op een soort asfaltrubber, een baansoort die noch de harde serveerders noch de baseliners bevoordeelt. In dat opzicht is de US Open wellicht het eerlijkste toernooi en een grote verbetering ten opzichte van Forest Hills waar eerst op gras en later op een soort gravel werd gespeeld. Bepaald niet in het voordeel van Amerikanen en Australiërs, maar wel van een Europeaan als de Spanjaard Manuel Orantes die op gravel Connors wel kon hebben. Connors beschouwde het gravel van Forest Hills daarom zo'n beetje als landverraad. Maar in die dagen werd hij nog uitgekotst door hetzelfde Amerikaanse publiek, dat hem nu als een soort heilige vereert.

Dit jaar heeft hij dan eindelijk zijn definitieve afscheid aangekondigd. Maar ja, met hem weet je het maar nooit. Connors begint morgen aan zijn 114e wedstrijd op de US Open. Wat voor zijn bemoeizieke moeder Gloria, in zijn jonge jaren mentor, coach en zaakwaarnemer tegelijk, in deze herdenkingsdagen aanleiding is om op te merken: “Eigenlijk schenken de mensen pas nu de aandacht aan Jimmy die hij verdient. En verdient Jimmy ook meer geld dan toen hij vier jaar ononderbroken nummer één was.”

Dat hij op 40-jarige leeftijd ook door zijn moeder nog steeds Jimmy wordt genoemd en Gloria nog altijd prominent aanwezig is wordt door de familie Connors (vrouw en drie kinderen) niet zo vreemd gevonden. Want op Jimmy Connors lijkt de tijd geen vat te hebben gekregen. Zelfs niet wanneer hij straks eindelijk veertig plus toernooien gaat spelen. Dan moet het nog gaan tegen onvervalste oldtimers die nog een beetje het gevecht kunnen aangaan als Borg, Gerulaitis, Vilas of John Lloyd. Want anders is er voor Jimmy beslist geen aardigheid aan.