Rencontre inattendue

Een Engelssprekende toerist kijkt toe hoe een dame aan een Amsterdamse gracht haar stoep schoonmaakt. Wellicht heeft hij in Overvloed en Onbehagen van de Amerikaanse historicus Simon Schama gelezen dat properheid een onvervalst Nederlandse eigenschap is.

De vrouw houdt met haar zwabber de jongen aan en vraagt of hij een brood voor haar wil gaan kopen. Hij begrijpt het niet.

Ondertussen ziet ze mij aankomen en ze vraagt aan de vriendelijke toerist die haar niet begrijpt of hij aan mij wil vragen of ik een brood voor haar kan gaan halen. Dan richt ze zich tot mij en zegt in het Engels dat ze sinds gisteren geen brood in huis heeft en daarom honger heeft.

“Het is misschien een beetje brutaal”, zo vervolgt ze in het Nederlands, “maar mijn dochter kan elk moment hier zijn, dus ik kan niet weg.” Ik spoed me naar de bakker om een half wit en een half bruin te kopen en wordt tien minuten later door de nog steeds op de stoep wachtende vrouw binnengenood.

“Ik ben 92 jaar oud. Mijn man is vorig jaar overleden en een paar maanden geleden mijn grote witte poes. Dat heeft me wel wat gedaan. Vaak werd ik 's morgens wakker gemaakt door dat lieve beest, alsof het wilde zeggen: hé, wanneer kom je eruit!

“Ik heb nooit kinderen gehad omdat mijn baarmoeder gekanteld lag. Dokter Peters en professor Raaf zeiden: Mevrouw, u hoeft niet te rommelen want er kan niets gebeuren. Dat was bij andere meisjes wel anders, kan ik u vertellen. Door die baarmoeder kon mijn man altijd zijn gang gaan. Ik mis hem toch wel erg. Het is niet niks als je iemand op je tweeëntwintigste tegenkomt, zeven jaar later trouwt en hem dan (telt de decennia op haar vingers na) ruim zestig jaar later verliest. Hij had altijd verwacht dat hij mij zou overleven. Het liep anders. Misschien was het beter geweest als ik met hem mee was gegaan.

“Maar ja, de mens wikt en God beschikt. Neem mijn zoon. Die is gestorven toen hij dertien was. Achteraf bekeken misschien wel gelukkig voor hem want wie weet wat hem allemaal in de oorlog van '14-'18 was overkomen. Of die oorlog van later. Ik was negentien jaar toen ik hem kreeg en nu ben ik 92, want ik ben van 1900.

“Mijn man is vorig jaar gestorven maar ik ben niet op zoek naar een andere. Omdat mijn baarmoeder gekanteld is, hebben we nooit af hoeven zien van het seksueel. Maar ik ben er nu te oud voor en al was ik er niet te oud voor. Voor mij hoeft het niet. Vrijheid blijheid, maar wel alleen. Ik zou hier ook gemakkelijk kunnen verhuren maar voor je het weet ben je geen baas meer in eigen huis. En financieel zit ik niet in de problemen. Dus waarom zou ik!? Vroeger hadden we een zaak dus ik weet wat te zeggen. Maar aan huurders begin ik niet.

“Goed, ik was blij met u kennis te mogen maken. Weet u, ik ben 92 maar ik heb nog prik. Als ik u nog eens zie, zet ik een kopje koffie. En dan zal ik u ook vertellen dat mijn voorouders Frans waren. Die zijn in de oorlog van 1800 naar Den Haag gevlucht. Toen zijn ze naar Rotterdam verhuisd. Mijn neven en nichten wonen daar nog. Mijn familie moest wel vluchten want de kleine adel werd door Robespierre de kop afgehakt. Hoe heette u ook alweer? (vraagt zij voor het eerst). Rembrandt zegt u.” “Nee, Renders.” “Toch geen familie neem ik aan? Weet u hoe ik heet? Louise.”