Kinderarbeid is eerder oorzaak dan een gevolg van armoede

Armoede bestrijden is volgens sommigen in het Westen de beste manier om kinderarbeid in de Derde wereld terug te dringen. Volgens Gerard Oonk is het net omgekeerd: de strijd tegen de kinderarbeid moet worden opgevoerd, met onderwijs en handelsrestricties.

De ouders van kinderen die een betaalde baan hebben in landen als India, Indonesië, Ghana en Senegal 'kunnen meestal niet zonder dat geld' meldt NRC HANDELSBLAD van 4 april op basis van een rapport van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Deze bewering, waarvan ik vermoed dat het geen uitspraak van de ILO maar een interpretatie van een journalist betreft, is in zijn algemeenheid onjuist en kan makkelijk tot de onterechte conclusie leiden dat kinderarbeid pas kan afnemen als de armoede afneemt. De ervaring in andere, bijvoorbeeld Zuidoostaziatische, ontwikkelingslanden wijst uit dat de uitbreiding van het (basis)onderwijs en het terugdringen van kinderarbeid in de meeste landen meestal vooraf ging aan economische groei en armoedebestrijding.

Een zeer belangrijke reden voor de omvangrijke kinderarbeid in India - het land dat de meeste kinderarbeiders heeft - is het ontbreken van goed en verplicht basisonderwijs, hoewel dit volgens de grondwet in 1960 gerealiseerd had moeten zijn. In India gaat 60 procent van de kinderen tussen de zes en veertien jaar niet naar school, terwijl wel relatief veel geld wordt uitgetrokken voor het hoger onderwijs. De Amerikaanse politicoloog Myron Weiner meent dat de Indiase maatschappelijke toplaag niet geïnteresseerd is in onderwijs voor de lagere kasten en inkomensgroepen. Terwijl zij zelf zeer veel waarde hechten aan de opleiding van hun kinderen, meent de elite dat kinderen van kastelozen toch voorbestemd zijn voor ongeschoold werk en van onderwijs maar opstandig zullen worden.

Het blijkt echter dat ontwikkelingslanden, als de politieke wil er is, het zich kunnen veroorloven om de meeste kinderen naar school te laten gaan. Een land als Sri Lanka besteedt verhoudingsgewijs zes keer zoveel geld aan onderwijs als India en kent weinig kinderarbeid. In Kerala, een van de armste deelstaten van India, gaan bijna alle kinderen naar school en werkt slechts circa drie procent. Dat kinderarbeid in arme gezinnen meestal niet nodig is om te overleven en arme ouders geïnteresseerd zijn in goed onderwijs voor hun kinderen, is ook aangetoond in een plattelandsregio van de deelstaat Andhra Pradesh. Daar slaagt de niet-gouvernementele MV Foundation erin om duizenden kinderen uit de armste gezinnen op school te krijgen. De ouders en kinderen worden nauw bij het onderwijs betrokken. Ouders brengen soms zelf het geld voor een school bij elkaar, maar oefenen tegelijk druk uit op de overheid om de financiering over te nemen. Nu hun kinderen niet meer werken is de werkgelegenheid voor de volwassenen toegenomen. Hun loon is gestegen omdat er minder concurrentie is van 'goedkope kinderen'. De lokale overheid heeft de aanpak van de MV Foundation inmiddels overgenomen.

Kinderarbeid blijkt dus minstens evenzeer een oorzaak als een gevolg van armoede. Kinderarbeid houdt een vicieuze cirkel van onwetendheid, achterstelling, werkloosheid van volwassenen en hoge bevolkingsgroei in stand die alleen doorbroken kan worden door gericht overheidsbeleid. Momenteel bezetten circa 55 miljoen werkende kinderen in India de arbeidsplaatsen van ongeveer evenveel werkloze volwassenen. Zonder actief overheidsingrijpen blijft er een constante vraag van werkgevers naar goedkope en gemakkelijk te manipuleren kinderen.

Vorig jaar werd India door de Internationale Arbeidsorganisatie (opnieuw) fors bekritiseerd omdat de wetten en beleidsvoornemens om regelrechte slavenarbeid van miljoenen kinderen (en volwassenen) uit te bannen, niet worden uitgevoerd. Van alle onderzochte landen zouden India, Thailand en Burma op dat punt het slechtst scoren.

Er bestaat in India weinig verschil van mening over het feit dat de regering tot nu toe weinig heeft gedaan om kinderarbeid, en zelfs grove vormen van kinderuitbuiting, terug te dringen. Zo liet de werkgeversorganisatie Confederation of Indian Industry vorig jaar in een rapport weten dat 'er een totaal gebrek is aan politieke wil om het kinderarbeidprobleem op te lossen'. Pas onlangs heeft de Indiase regering - mede door maatschappelijke druk van actiegroepen, media en buitenlandse kritiek - het onderwerp kinderarbeid wat hoger op de politieke agenda gezet. In 1994 is het plan gelanceerd om twee miljoen kinderen die in gevaarlijke industrieën werken - waaronder de tapijt-, lucifer- en vuurwerkindustrie - voor het jaar 2000 naar school te krijgen en voor hun ouders meer werk te creëren. De kritiek van particuliere organisaties dat de uitvoering niet goed van de grond komt is ook nu niet van de lucht.

Ook Nederland, Europa en de Wereldbank kunnen bijdragen aan de strijd tegen kinderarbeid in India en andere ontwikkelingslanden. Zo steken Nederland en de EU momenteel honderden miljoenen guldens in vernieuwing van het basisonderwijs in India. Dat is een goede zaak, maar heeft alleen blijvend effect als India zijn onderwijsbegroting structureel sterk vergroot en toewerkt naar invoering van de leerplicht. Ook het verlagen van importtarieven voor produkten die middels een onafhankelijk gecontroleerd keurmerk zonder kinderarbeid zijn gemaakt, kan een zinvolle bijdrage leveren aan het terugdringen van kinderarbeid. Produkten van (kinder)slavernij ten slotte zouden van de Europese markt moeten worden geweerd.