Op zoek naar nieuwe consensus

Zoveel mogelijk behoud van de essentialia van de welvaartsstaat en reactivering van de overlegeconomie vormen de centrale leidraad van het European Renaissance-scenario dat het Centraal Planbureau (CPB) heeft beschreven in de toekomstverkenning van de Nederlandse economie tot 2015 onder de titel "Nederland in drievoud'.

Dit is ongetwijfeld de reden dat het kabinet in zijn adviesaanvraag aan de Sociaal Economische Raad (SER) een zekere voorkeur voor dit scenario laat blijken. Het laat immers zien hoe de samenwerking tussen overheid en sociale partners zou moeten zijn. Het kabinet heeft de SER verzocht zijn visie te geven over het toekomstig overlegmodel, "gezien de sociaal-economische ontwikkelingen op weg naar de Economische en Monetaire Unie (EMU) en gezien ook de spanningen waaraan dat model op dit moment blootstaat'. De scenario's van het CPB dienen daarbij als illustratiemateriaal.

Het kabinet laat een waarschuwend geluid horen. Wanneer de sociale partners er niet in slagen de overlegeconomie beter te laten functioneren, zal het marktmechanisme als ordeningsbeginsel een zwaardere rol krijgen, zoals in het Balanced Growth-scenario is beschreven. Blijft het coördinatieperspectief als ordeningsprincipe ineffectief, zoals in het noodlottige Global Shift-scenario, dan wordt Nederland genoodzaakt na 2005 abrupt op het vrije-marktperspectief over te schakelen. De ontwikkeling is dan als gevolg van onvoldoende aanpassingen volledig vastgelopen.

Het CPB ziet de overlegeconomie als een produkt van de Nederlandse cultuur. Het ziet ook scherp zijn eigen rol in dat model, die internationaal gezien uitzonderlijk is en alleen te begrijpen uit de "welhaast onverzadigbare behoefte aan feitenkennis en wetenschappelijke analyse, waarmee het politieke overleg moet worden gevoerd'.

Het systeem heeft in de jaren vijftig uitstekend gewerkt, maar sinds de maatschappelijke consensus eraan ontvallen is, functioneert het stroef. Centrale organisaties van werkgevers en werknemers overleggen onderling en met het kabinet, maar zijn niet in staat om aangesloten leden en organisaties de gemaakte afspraken ook te doen uitvoeren. Het CPB stelt vast dat er nog geen nieuwe, door de maatschappij gedragen balans is gevonden tussen markt en overheid, tussen individuele verantwoordelijkheid en sociale bescherming, tussen samenwerking en concurrentie.

Als het overlegmodel beter wil functioneren, dan moet er een zekere mate van tripartite sociale consensus en samenwerking tot stand komen. Gemaakte afspraken worden uitgevoerd en de verdeling van verantwoordelijkheden tussen sociale partners en overheid en tussen het centrale en decentrale niveau is helder. De overheid grijpt niet dwingend in als de afspraken tussen de sociale partners niet in overeenstemming zijn met het regeringsbeleid, maar onthoudt er haar steun aan door ze niet algemeen verbindend te verklaren.

Om de ingratiefunctie van de verzorgingsstaat waar te maken wordt in de sociale zekerheid het accent verlegd van een passieve inkomensgarantie bij inactiviteit naar een actief en activerend arbeidsmarktbeleid. De aan het loon gerelateerde uitkeringen worden versoberd en de financiële prikkels versterkt. De uitkeringen worden niet volledig gekoppeld aan de contractlonen, de WAO-uitkeringen worden beperkt door het bovenminimale deel leeftijdsafhankelijk te maken, er komen eigen risico's voor werkgevers en werknemers bij de ziektewetuitkeringen en het arbeidskostenforfait wordt verdubbeld. Dank zij de vermindering van het beroep op de sociale zekerheid komt er ruimte voor vergroting van de zorguitgaven en de AOW-uitgaven. De bejaarden zijn in dit scenario dus beter af.

Het CPB noemt ook de voorwaarden waaraan een vernieuwd en gerevitaliseerd overlegmodel zou moeten voldoen.

Werkgevers zouden bereid moeten zijn lager geschoolden in te schakelen. De overheid zou voldoende middelen beschikbaar moeten stellen voor scholing en arbeidsbemiddeling en om het werken fiscaal te begunstigen. De vakbeweging moet bereid zijn om de schepping van lager betaalde banen toe te staan door bestaande belemmeringen in CAO's weg te nemen.

Het CPB plaatst het "coördinatieperspectief' tegenover het "vrije-marktperspectief'. Het eerste acht het meer in overeenstemming met de Nederlandse tradities dan het tweede. Dit mag zo zijn, maar anders dan het CPB suggereert, zal de nieuwe consensus die wordt gezocht niet zozeer afhankelijk zijn van de cultuur, maar van de vraag of een evenwicht kan worden gevonden in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Zolang die balans niet is hersteld, kan een compromis tussen werkgevers en werknemers over sociaal-economische beleidsdoelstellingen op lange termijn niet veel meer zijn dan een vrijblijvende aanbeveling.