Nederland prepareert zich op één Europa

De vorming van de uniforme Europese markt is nabij en het bedrijfsleven prepareert zich daarop. De Nederlandse overheid strooit kwistig met advies en ziet nog een taak voor zichzelf: om in Europa te blijven meetellen, moet de nationale overlegfolklore op de helling.

Met de limiet van 1 januari 1993 nog maar luttele maanden verwijderd, meten Europese bedrijven met groeiend gevoel van urgentie de vooruitgang naar het grote doel: één enkele Europese markt zònder interne barrières en mèt zo'n 340 miljoen vrije consumenten. Tegelijk dienen Europese overheden hun bedrijven in een aanzwellende stroom van studies en rapporten van advies over de kansen en risico's van die gemeenschappelijke markt.

Hoewel een goed deel van de 280 maatregelen, die de Europese Commissie in 1985 voorschreef in haar Witboek inzake de voltooiing van de interne markt 1992 inmiddels is genomen, blijkt de "Europa '92 Express' zeker geen superlocomotief die regelrecht op z'n doel afstevent. Eerder is sprake van een bonte verzameling snel- en boemeltreinen die met zeer wisselende snelheden rijden en zich soms zelfs (sociaal beleid, autonijverheid) van hun oorspronkelijke bestemmingen verwijderen. Daar komt bij dat de Europese Monetaire Unie als vervolgfase van de Europese integratie door het recente Deense "nee' tegen "Maastricht', en de mogelijke Franse afwijzing van de plannen, op de tocht staat.

Toch blijft het een onmiskenbaar feit dat de Europese economieën, ongeacht politieke besluiten of uitslagen van referenda, convergeren naar een eenheid waarbinnen steeds minder plaats is voor afwijkende wisselkoersen, inflatiecijfers, rentevoeten of staatsschulden. Parallel daarmee internationaliseert het Europese bedrijfsleven in snel tempo en trekt het zich al jaren weinig tot niets meer aan van nationale grenzen. Zo was het aantal fusies, deelnemingen en joint ventures binnen de duizend grootste Europese industriële ondernemingen in 1989/90, volgens opgaven van de Europese Commissie, vijf keer zo groot als in het begin van de jaren tachtig. Het aantal grensoverschrijdende transacties lag zelfs zeven keer hoger. En als EG-lidstaten ongunstig scoren wat betreft vestigingsfactoren als infrastructuur, arbeidsklimaat, loonkosten of fiscale faciliteiten, verkassen Europese bedrijven steeds gemakkelijker naar uitnodigender Europese regio's. Het afgelopen decennium gaf bij voorbeeld hoge groeicijfers te zien in Zuid-Duitsland, Noord-Italië, Zuidoost-Engeland en Oost-Spanje.

Tegen deze dynamische achtergrond verschijnen ook vanuit Den Haag in steeds rapper tempo studies naar de vraag hoe de Nederlandse economie zich kan handhaven in het geweld van de Europese eenwording, of beter nog: daar optimaal van kan profiteren. In 1989 voorspelde het Centraal Plan Bureau in zijn studie Nederland in Europa'92 al op tamelijk optimistische toon dat de gemeenschappelijke markt een doelmatiger produktie en een hogere produktiviteit mogelijk maakt waarvan Nederland meer dan gemiddeld kan profiteren.

Kort daarop gaven de ministeries van onderwijs en wetenschappen en van economische zaken aan onderzoekers van TNO opdracht de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven kwalitatief door te lichten aan de hand van het zogeheten 'diamant-model' dat Harvard-professor Michael Porter begin 1990 beschreef in zijn opzienbarende boek The Competitive Advantage of Nations. Volgens Porter bepalen vier elementen - die samen de diamant vormen - de concurrentiekracht van een land in een bepaalde sector: de kwaliteit van de produktiefactoren (arbeid, grondstoffen, geografie, etcetera); de mate van concurrentie op de thuismarkt; de kwaliteit van de binnenlandse vraag (welke eisen stelt de consument?); en de omvang van relatienetwerken binnen bedrijfstakken (bij voorbeeld de relatie tusen de zuivelindustrie en de zuivelmachinebouwers).

De uitslag was voor high tech-fans en voorstanders van een Haags high tech-industriebeleid tamelijk ontnuchterend: de top-tien van vaderlandse exportsectoren is, op aardgas (nummer acht) na, geheel agrarisch. Snijbloemen staan met 63,9 procent van de wereldexport boven aan, gevolgd door eieren, levende varkens, enzovoort. De hoogst gekwalificeerde high tech-exportsector, röntgenapparatuur, komt op de 71-ste plaats. Kortom, de concurrentiekracht van de Nederlandse economie schuilt volgens Porter en het TNO niet in high tech of zware industrie maar in agrarische produkten, diensten en chemische bulk. Enige troost biedt de omstandigheid dat onze sterkste sectoren technologisch voorop lopen in een low tech-milieu. Zo wijzen de onderzoekers op ons ongeëvenaarde vermogen om cacaopoeder te produceren in elke gewenste variant en smaak.

Pag.16: Nederlandse praatcultuur en adviesfolklore ter discussie; "Het gedrag van ondernemingen is de enige èchte indicator van de waarheid'

In september 1990 ventileerde het ministerie van economische zaken zijn alom geprezen sterkte/zwakte analyse van de Nederlandse economie onder de titel Economie met open grenzen. Daarin wordt ruimhartig verwezen naar de Porter/TNO-analyse, al blijkt het lastig daar concrete consequenties aan te verbinden. Een belangrijk inzicht dat uit deze studie naar voren komt: internationalisering, schaalvergroting, produktdifferentiatie, technologische ontwikkeling en netwerkvorming hangen nauw samen en bedrijven moeten daar alert op reageren. De EZ-studie pleit daarom voor verbetering van het ondernemingsklimaat (“We moeten niet de fouten van de jaren zeventig herhalen.”), voor meer concurrentiekracht en samenwerking, en voor voortdurend vernieuwen'. Daarvoor wordt, zo belooft minister J. E. Andriessen in het voorwoord, tot 1995 1,4 miljard gulden uitgetrokken.

Afgelopen mei was er al weer een Vervolgrapportage Economie met open grenzen waarin Economische Zaken de uitdaging van de convergerende Europese economieën nogmaals helder uit de doeken doet, maar een stap verder gaat. “Veel is natuurlijk af te leiden uit de vele statistieken en onderzoeken die er zijn”, aldus de vervolgrapportage. “Maar uiteindelijk is er maar één indicator die ècht de waarheid spreekt: het gedrag van de ondernemingen zelf. Investeert men met vertrouwen in ons land of niet?” Om die vraag te beantwoorden ondernam het ministerie een journalistiek getinte speurtocht bij achttien bedrijven die zowel in Nederland als in andere Europese landen vestigingen hebben. Het beeld is wat impressionistisch en allerminst eenduidig.

Nutricia meldt dat de loonkosten van zijn werknemers in Zoetermeer twintig procent hoger liggen dan die van hun Belgische collega's in Bornem. Maar stalen-beddenproducent Dico heeft tegenovergestelde ervaringen en vindt Nederlanders bovendien veel efficiënter werken dan Belgen. Akzo klaagt over hoge grondprijzen in Nederland maar Ericsson spreekt op dit punt juist tevredenheid uit. Philips maakt zich zorgen over het niveau van onze universitair afgestudeerden, Unilever prijst daarentegen het hoge algemene opleidingspeil in Nederland, na het Duitse het hoogste in de EG.

In het algemeen scoort Nederland goed wat betreft factoren als arbeidsproduktiviteit en infrastructuur. Tot de meest gehoorde klachten behoren de buitenmodel "wig' tussen netto en bruto beloning, en de exploderende milieubelastingen. Volgens Esso, dat raffinaderijen in Rotterdam en Antwerpen drijft, dreigt Nederland zich op dat laatste punt snel uit de markt te prijzen. Papierfabrikant KNP merkt op: “Wij vinden het niet erg om veel voor milieubehoud te betalen als het maar geen cent meer is dan de concurrent.” Toch wijkt het algemene beeld van Nederland niet zeer af van het denkbeeldige Europese gemiddelde. Al moeten wij, volgens veel bedrijven, de komende jaren alle zeilen bijzetten om deze redelijke uitgangspositie te handhaven.

Afgelopen juni, amper vijf maanden voor de formele introductie van Europa '92, rolde via Economische Zaken al weer een nieuwe studie van de persen, getiteld Achtentwintig branches op weg naar 1992. In het voorwoord van deze co-produktie van EZ en de Raad van Centrale Ondernemingsorganisaties betoogt staatssecretaris Yvonne van Rooy dat tijdens onderliggende onderzoeken (1990) “veel bedrijven nog onvoldoende doordrongen waren van hetgeen te gebeuren staat.” Eén van de oogmerken van de studie is dan ook “de betreffende bedrijfstakken te doordringen van de noodzaak van anticiperend beleid.”

De auteurs van de studie merken al snel op dat het ondoenlijk is "harde conclusies' te trekken uit de overvloedige informatie en aanbevelingen die de deelstudies van de 28 branches opleverden. Daarvoor zijn hun uitgangspunten en voorbereidingen op 'Europa '92' te divers. Niettemin proberen zij een algemeen beeld te schetsen van de uitdagingen die de branches kunnen verwachten aan de hand van enkele criteria als: hun concurrentiepositie en internationale gerichtheid; de invloed van de EC-Witboekmaatregelen om tot één Europese markt te komen; en de marktstructuur per branche na "1992'.

Eenderde van de onderzochte branches is sterk internationaal gericht, maar niet alleen zij krijgen in alle hevigheid met Europa '92 te maken. Ook op de binnenlandse markt gerichte bedrijven moeten rekenen met verhevigde concurrentie. De 28 branches wordt derhalve een groeiende noodzaak tot concentratie en verticale integratie (per bedrijfskolom) voorspeld en de bijpassende conclusie luidt: “De Europese realiteit dwingt een aanpassing van de optimale bedrijfsomvang af, met name voor het midden- en kleinbedrijf.”

Verder kan de Europese harmonisering van de milieuwetgeving Nederlandse bedrijven in de kaart spelen gezien onze al strenge eisen op dat gebied. Aan de andere kant zal de fiscale harmonisering minder gunstig uitpakken, krijgen veel branches daardoor te maken met tariefverhogingen, terwijl specifieke belastingen als motorrijtuigenbelasting en dieselaccijns opwaarts zullen worden bijgesteld.

Achtentwintig branches op weg naar 1992 biedt tot slot instructieve inzichten die op brancheniveau gecondenseerd worden weergegeven. Zo worden het toerisme, de bandenbranche en de offshore industrie geattendeerd op goede mogelijkheden om op Europese schaal door te breken. En voor andere bedrijfstakken, zoals bouw en installatie van kassen, worden nog onbenutte exportkansen geïnventariseerd in met name Zuid-Europa.

De Nederlandse overheid deelt aan de vooravond van Europa '92 in reeksen rapporten niet alleen aan de lopende band wijze lessen uit, zij wenst die op dit late moment ook zelf te ontvangen. Dat is niet verbazingwekkend. Het heeft te maken met de "Europese paradox' die Economische Zaken in zijn eigen Vervolgrapportage Economie met open grenzen al signaleerde: hoe meer de gebieden met onbeperkte nationale beleidsvrijheid door de Europese integratie krimpen, des te groter wordt de betekenis van de inspanningen op juist die terreinen. Met andere woorden, de "sanctie' op slecht of in ongunstige zin afwijkend overheidsbeleid wordt groter. Deze groeiende "beleidsconcurrentie' tussen Europese staten betekent dat hogere eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van het overheidsbeleid en de besluitvorming. En dat de stroperige Nederlandse praatcultuur met z'n folklore van adviescollege's, speciale commissies, vage intentieverklaringen en zachte afspraken daarbij geen uitgesproken voordeel is, spreekt vanzelf.

Dus vroegen de ministers Kok van financiën, Andriessen van economische zaken en De Vries van sociale zaken op 19 juni jongstleden terzake advies aan de Sociaal Economische Raad. Deze verreikende adviesaanvraag gaat niet alleen over het beleid dat bij Nederlands voorgenomen toetreding tot de Europese Monetaire Unie past, maar vooral ook over de wijze waarop overheid en sociale partners tot zo'n beleid komen. Anders gezegd: het Nederlandse overlegmodel, de wijze waarop overheid en sociale partners de zaken met elkaar plegen te regelen, moet onder druk van Europa '92 worden aangescherpt en slagvaardiger gemaakt. Daarom is het, volgens de drie ministers in hun adviesaanvraag, noodzaak “een goede combinatie te vinden tussen enerzijds overleg en coördinatie, en aan de andere kant een beroep op het marktmechanisme.” Daarbij kijken de bewindslieden met een schuin oog naar een zoveelste nieuwe studie - Nederland in drievoud (juni 1992) - van het Centraal Plan Bureau, waarin in breed internationaal verband drie toekomstscenario's voor de Nederlandse economie worden geschetst.

Allereerst is er het "global shift' scenario, waarin de sneller groeiende Aziatische en Amerikaanse economieën de Europeanen dwingen zich steeds concurrerender op te stellen, het harde marktmechaniek gaat domineren en de verzorgingsstaat verwordt tot een nostalgische droom. Dan is er het meer gematigde "evenwichtige groei' scenario. Daarin groeien de wereldeconomieën over de hele linie gestaag, laten marktmechanismen zich sterker gelden dan voorheen en moet de Nederlandse overheid zich terughoudender opstellen als initiator en hoeder van de verzorgingsstaat. Tot slot is er het "Europese Renaissance' scenario, waarbij Europa '92 een succes wordt en de traditionele verzorgingsstaat goeddeels intact kan blijven maar dan wel effectiever en gestroomlijnder moet worden gemaakt.

“In dit (laatste, FV) scenario wordt een gunstige ontwikkeling verkregen door het krachtiger en succesvoller funktioneren van de coördinatie tussen overheid en sociale partners”, aldus de ministeriële adviesaanvragers. “De samenwerking binnen en tussen overheden en sociale partners zal dan effectiever moeten zijn dan thans het geval is. ... Intentieverklaringen van partijen mogen betekenisvol zijn, maar zij vormen een te onzekere basis voor een succesvol en effectief vervolg.” Dat is een nauwelijks verkapte verwijzing naar recent gehakketak over zaken als ziekteverzuim en WAO.

Het "Europese Renaissance' scenario geniet dus duidelijk de voorkeur van de drie bewindslieden. En als dat niet haalbaar blijkt, zullen ze naar de andere scenario's moeten kijken. Dan zal het marktmechanisme als ordenend beginsel een zwaardere rol krijgen, zal de verzorgingsstaat slinken, zullen inkomensverschillen groeien, etcetera.

Kortom, het kabinet acht de tijd kennelijk rijp om de knusse maar vertragende Nederlandse praatcultuur fundamenteel ter discussie te stellen. En de Sociaal Economische Raad krijgt als summum van die cultuur het vriendelijke verzoek "omstreeks het einde van dit jaar' over deze heikele kwestie van advies te dienen. Wat in het licht van Europa '92 rijkelijk laat lijkt. Al is het bekeken vanuit Haagse tradities natuurlijk "net op tijd'.

Bronnen: Nederland en Europa '92, Centraal Plan Bureau (1989) De economische kracht van Nederland, TNO (1990) Economie met open grenzen, Ministerie van EZ (sept. 1990) Vervolgrapportage Economie met open grenzen, idem (mei 1992) Nederland in drievoud, Centraal Plan Bureau (juni 1992) Achtentwintig branches op weg naar 1992, Ministerie van EZ (juli 1992)